Nazi-handelaar kocht van Max Beckmann in A’dam

Hildebrand Gurlitt was groot liefhebber van vooruitstrevende kunst

Kunstenaar Max Beckmann in zijn studio aan het Rokin in Amsterdam in 1938. Foto Helga Fietz

Kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt was in oktober 1943 in het Amsterdamse atelier van de uit Duitsland gevluchte kunstenaar Max Beckmann, om enkele van zijn schilderijen te kopen. Of die werken zich nog in de collectie bevinden die deze Duitse kunsthandelaar aan zijn 79-jarige zoon Cornelius heeft nagelaten, is niet bekend. De Duitse politie wil nog niet de titels en afbeeldingen vrijgeven van de ruim 1.400 kunstwerken die zij hebben meegenomen uit het appartement van Gurlitts zoon in München.

In documenten die in het bezit zijn van de Frankfurter Allgemeine Zeitung blijkt dat het bezoek van Gurlitt aan Beckmann plaatsvond op 18 en 19 oktober 1943 en dat hij zijn oog onder meer had laten vallen op een schilderij met de titel Frau mit wiesser Jackke. Waarschijnlijk kocht hij in 1944 nog drie doeken. Gurlitt kwam in gezelschap van de kunsthistoricus en bekende Beckmannliefhebber Erhard Göpel. Beiden werkten destijds voor het nazi-regime.

Gurlitt was in dat jaar aangesteld als inkoper voor het nog te bouwen Führer-museum in Linz. Voor dat museum stelde hij geen belang in expressionisten als Beckmann, wiens werk door de nationaal-socialisten was bestempeld als „ontaard” en dus „schadelijk voor de Duitse ziel”. Beckmann heette een „Jodenknecht” en die „kunstprostitutie” bedreef. Hij was in 1933 al ontslagen als kunstdocent en nadat 28 van zijn schilderijen vier jaar later werden geëxposeerd op de tentoonstelling „Entartete Kunst”, emigreerde Beckmann naar Amsterdam.

Gurlitt was groot liefhebber van de meest vooruitstrevende kunst uit zijn tijd. Dat bleek al in de jaren 20, toen hij in kringen van de avant-garde naam maakte als museumdirecteur in Zwickau. In 1930 stapte hij op, onder druk van lokale NSDAP-politici. Toch zou Gurlitt carrière maken onder de nazi’s. In 1937 werd hij een van de vier kunsthandelaren die in beslag genomen „ontaarde kunst” aan buitenlanders mocht verkopen.