Mijn boek is fictie. Dat snapt niet iedereen

Hij schreef een boek over een voorbeeld-Marokkaan Dat boek, zijn debuut, verscheen vorige week Over analfabete ouders en naar het Concertgebouw gaan

Mano Bouzamour Foto Anneke Hymmen

Verslaggever

Dat zinnetje over die moedervlekjes, dat vonden ze bijvoorbeeld niet kunnen. ‘Allah had haar lichaam besprenkeld met moedervlekjes alsof Hij een cupcake voltooide’.

„Ik wilde de gevoelens van mijn hoofdpersoon op een dichterlijke, zwierige manier beschrijven”, zegt Mano Bouzamour, 22 jaar en schrijver van De belofte van Pisa. „Maar mensen uit de Marokkaanse hoek vinden dat een belediging van Allah. Ik snap wel dat het gevoelig ligt, ik heb ook op de Koranschool gezeten. Maar Allah moet toch juist humor hebben, als hij ons op de wereld heeft gezet! Mijn hele insteek is niet beledigend geweest. Ik wilde schoonheid creëren.”

Donderdag was de boekpresentatie van de Amsterdamse schrijver. Zaterdag stond hij groot in Het Parool, maandag zat hij bij Pauw & Witteman. „Ik heb het nog niet teruggekeken. Ik was zo verdomd zenuwachtig.” Meteen dinsdagochtend belde de redactie van het tv-programma wéér. „Ze vonden dat ze nog niet alles uit het gesprek hadden gehaald. En ze wilden het over de ontwikkelingen hebben, over wat er is gebeurd.”

Want er kwamen reacties. Mano vertelt er eerst nog opgewekt over: „Ja, mensen hebben me geschreven hoe vet ze het vonden, dat ze mijn boek niet konden wegleggen. Ik wil lezers vermaken en dat is grotendeels gelukt, afgaande op de reacties.” Maar hij kreeg ook „een boel bagger en shit” over zich heen. „Opvallend genoeg allemaal uit Marokkaanse hoek.”

De belofte van Pisa gaat over de jonge Samir (‘iedereen noemt me Sam’), die analfabete Marokkaanse ouders heeft en terechtkomt op een lyceum in Amsterdam-Zuid, waar hij de enige is met een kleurtje. Ondanks zijn vmbo-advies is hij enorm gemotiveerd om zijn vwo te halen: hij heeft het beloofd aan zijn oudere broer, die inmiddels voor een gewapende overval in de gevangenis zit. In dat Amsterdam-Zuid-milieu gaat er een nieuwe wereld voor Sam open. Hij zit net zo lief tussen de elite in het Concertgebouw als in het Marokkaanse buurthuis in zijn eigen buurt, De Pijp.

Een voorbeeld-Marokkaan, zou je zeggen. Zoals Mano dat zelf ook is. „Ik zat net als de hoofdpersoon op het Hervormd Lyceum Zuid. Ik heb ook in twee werelden geleefd. En net als hij maak ik niet de keuze om bij één groep te horen, bij de Marokkanen óf de Nederlanders. Maar het boek is wel fictie: de meeste gebeurtenissen hebben niet plaatsgevonden. Dat snappen sommige mensen niet.”

Voor het interview wilde Mano liever afspreken in het centrum van Amsterdam – hij sprong wel even op z’n Vespa – dan dat hij de verslaggever naar De Pijp liet komen. „Ik wil daar nu even niet zijn. Ik hoef even niet die mensen tegen te komen die me uitschelden.”

Wat zeggen ze dan?

„Ze sturen me sms’jes, whatsappjes, e-mails: ‘Dit kan je niet doen.’ ‘Allah gaat je diep straffen.’ ‘Je gaat naar de hel.’ ‘Er gaat een groot ongeluk met je gebeuren.’ ‘Je beledigt je ouders.’ Ze vinden dat ik mijn afkomst verloochen, dat ik mijn ziel verkocht heb aan de Hollanders.”

Wat voor mensen zijn dat?

„Onbekenden uit de Marokkaanse gemeenschap, via internet. Maar ook bekenden, kennissen, buren, familie en zo.”

Ik hoorde dat je ouders je het huis uit gezet hebben.

Aarzelend: „Daar wil ik niet zo diep op ingaan.” Hij denkt even. „Ik heb jarenlang heen en weer gependeld tussen mijn ouderlijk huis, mijn vriendinnetje en mijn broer. Al die tijd bevond ik me tussen verschillende werelden. En nu is mijn boek er en heb ik ervoor gekozen om een aantal mensen niet te zien en te wachten tot het bezonken is. Dat is mijn keuze. Maar ik vind het jammer dat bepaalde mensen niet achter mij staan, terwijl ik altijd had gedacht dat ze achter me zouden staan.”

In Het Parool zei je nog dat je ouders wel trots op je zijn.

„Dat zijn ze ook wel, maar ze gaan ook af op de reacties van anderen. Dat hebben ze altijd gedaan, want in zo’n wereld leven ze. Het is moeilijk om daar uit te breken. Je moet, al zeg ik het zelf, verdomd stevig in je schoenen staan om dat te doen. Maar dat mensen beledigd reageren is ook aan henzelf te wijten. Je hebt in eigen hand of je je iets van anderen aantrekt. Je kunt kwaad worden op het weer of op een auto die je afsnijdt, maar je kunt je er ook niets van aantrekken.”

Waren je ouders op je boekpresentatie?

„Nee. Heel jammer, want ik vertel ze al maanden dat het een belangrijke dag voor me was.”

Vonden ze dat zij niet thuishoren in jouw ‘blanke’ wereld?

„Ja. Je moet niet vergeten: als je afgezonderd leeft van de rest van de wereld, zoals zij, denk je dat iedereen daarbuiten vals of fout is. Ik houd zielsveel van mijn ouders, maar ik heb schrijvend juist geleerd dat ik moet doen wat ik zelf wil, niet wat de groep wil. Ik houd me vast aan mezelf, ik ben blij dat ik het heb geschreven. Ook al moet ik daardoor bepaalde dierbare mensen even niet zien.”

Schreef je dit boek omdat je dát je lezers wilde vertellen? Dat ze zich aan hun afkomst kunnen ontworstelen?

„Ik schrijf ten eerste om mensen te vermaken en om jonge mensen te laten zien dat boeken cool zijn. Daarom heb ik ook geprobeerd humoristisch te schrijven, humor loodst je door een verhaal. En ten tweede wil ik Nederland laten zien hoe het er in sommige kringen aan toegaat. Maar dat is niet de hoofdzaak, ik geef ook alleen wat inkijkjes. Het gaat in de eerste plaats over een jongen die opgroeit. Toen ik een paar jaar geleden Salinger las – iedereen in mijn omgeving las boeken, dus ik ging het ook maar doen – was ik zo verdomd gelukkig, omdat hij de pijn van het opgroeien zo goed beschreef. Het doet pijn, waar je ook vandaan komt, wat je afkomst ook is.”

Probeer je dat uit te leggen, aan die kennissen en buren en familie?

Hij zwijgt. „Hoe wil je aan iemand die nooit een boek gelezen heeft uitleggen hoe fictie werkt? Zeggen dat het niet echt is, wat daar wordt gezegd? Zij kennen alleen boeken over de waarheid.”

De wereld waarin jouw ouders leven is nog niet klaar voor dit verhaal?

„Kennelijk. Maar daarom moet het juist geschreven worden, toch?”