Fragmenten uit het boek van Bouzamour

(Sam schrikt ’s nachts wakker. Hij denkt aan zijn slapende ouders.)

Vader droomde ongetwijfeld van de hete Saharawind die door de straatjes van zijn geboorteplaats dwaalde, en die fijne, rode zandkorreltjes liet neerstrijken op de sinaasappelveldjes, die overgingen in slordige kavels vol cactussen met cactusvijgen. De velden omringd door heuvels waaruit olijfbomen prijkten tegen de zeeblauwe hemel. Tussen de olijfbomen stonden de ruziënde landeigenaren die gekreukelde gezichten hadden als onzorgvuldig gevouwen bruine papieren tassen. De eeuwige boerenvetes, strelende en helende beelden uit zijn jeugd in Marokko. Moeder droomde vast en zeker van een geweldig dik lijf, lange tafels vol gevulde kippen en klotsende glaasjes muntthee met niet twee, vier, maar zes schepjes suiker. Arme vrouw, al haar vriendinnen waren vliegdekschepen van vrouwen en zij wilde het liefst met de vloot meevaren maar deinde zachtjes weg; ze at zich te pletter maar bleef hartstikke dun. Dus moest ik een keer mee naar de huisarts, om te fungeren als tolk. ‘Zeg maar dat ze een supersnelle stofwisseling heeft, als een stookkamer van een groot schip,’ jubelde de huisarts en hij vervolgde: ‘Dat is héél goed, mevrouw! De meeste vrouwen, wat zeg ik, alle vrouwen zouden voor zo’n metabolisme een moord plegen.’

Maar goed.

Zij droomden, ik niet.

(Sams broer vertelt waarom hij de school niet heeft afgemaakt. Ze zitten samen in een ijssalon:)

‘Weet je wat het was, Sam, ik had geen begeleiding. Thuis vroeg niemand me naar huiswerk. Of ik iets niet snapte. Logisch, vader en moeder kunnen niet eens lezen en schrijven. Ze zijn zelf nooit naar school geweest. Maar goed, ik zat op het Montessori Lyceum, vijfde klas vwo. Geblokt alsof de duivel me op de hielen zat. Ik kan eigenlijk nog naar de avondschool om alsnog mijn diploma te halen, maar daar heb ik echt geen zin in. Zie je mij al braaf achter een schooltafel naar een lompe leraar luisteren? Ik zat dus in de een-na-laatste klas vwo en kon mij overdag thuis niet op mijn huiswerk concentreren, dus bleef ik de nachten op. Ik zat soms tot vier uur ’s nachts te leren. Tot ik helemaal lijp werd en dacht: waarvoor doe ik het eigenlijk? Het kan me allemaal wat. Al die leraren, al die puistige pubers, vader en moeder, de hele wereld kon me wat. Als ik er nu op terugkijk, is het zo stom. Wat ik probeer te zeggen, zonder de juiste begeleiding laat je de boel makkelijker vallen. Maar jij hoeft je niet druk te maken, ik heb je rug, broertje. We gaan het samen doen.’

Hij gaf mij een knuffel. Dat deed hij nooit. Dus toen hij me knuffelde kon ik wel janken.

‘Ik zal je de hele middelbareschooltijd begeleiden. Ik moet binnenkort even wat dingetjes opzetten maar daarna help ik je iedere dag met huiswerk. Snap je iets niet? Ik leg het je uit. Als je toetsen hebt, zal ik je overhoren. Nog meer overhoren en nog meer overhoren.’

Hij lachte, ik niet.

‘Moet je bijlessen volgen voor wiskunde? Ik ken wat slimme meisjes die je daar dolgraag mee willen helpen. Als je maar met je poten van ze afblijft.’

‘Weet niet of me dat zal lukken.’

‘Grapjas. Werkt je pik al of niet?’

‘Hij kan al de sterren aanwijzen.’

‘Hou ’m bij sterretjes vandaan.’

‘Wat bedoel je?’

‘Laat maar.’

Mijn broer liep naar zijn Vespa, haalde wat uit het voorvakje en overhandigde het aan mij. Mijn dag kon niet meer stuk. Eerst aangenomen op de school waar ik zo graag op wilde, toen de seizoenkaarten en nu dit: twee kaartjes voor het Concertgebouw.

(Over de moskee waar de vader van Sam altijd heengaat.)

‘Kom nou eventjes in de pauze naar de moskee,’ vervolgde vader aan de andere kant van de badkamerdeur terwijl ik aan het douchen was. ‘Alle jongens van de buurt zijn er ook. Ze zijn er iedere vrijdag! Karim, Omar, Khalid, Youssef, hun vaders vragen altijd naar je!’ Pa somt altijd de namen op van de heilige boefjes uit de Pijp.

Karim heeft iedere week een fietsenrek vol nieuwe fietsen. Omar zag ik laatst een smartphone uit iemands hand trekken. Iedereen weet dat Youssef en Khalid vorige zomer de Albert Heijn hebben overvallen met een bijl en met de buit een Mercedes Cabrio hebben gehuurd waarmee ze iemand in de Rijnstraat hebben aangereden waarna ze zijn doorgereden. Maar dat vertel ik vader nooit. Doordat die jongens een uurtje per week naar de moskee gaan, houden ze niet alleen hun vaders (en andere vaders) zoet, maar dekken ze zich ook in.

De moskee is net een populaire discotheek, het is zien en gezien worden. De jongens gaan er opgetut heen. Van pet tot schoenen, zelfs sokken, alles was van een duur merk. En als de moskeemannen de onderkant van hun djellaba’s omhoogtilden zodat er een soort jutezak gevormd werd om geld in te zamelen voor nieuwe tapijten, dan letten de jongens altijd nauwlettend op elkaar.

(Sam eet in een restaurant, met zijn vriendin Evelien en haar ouders.)

‘Wat doen je ouders?’ vroeg de juf. ‘Ja, wat doet je vader?’ vulde schoonvader aan.

‘Hij gaat wel eens naar de moskee.’

Allebei namen ze een slok. Hij schonk zijn glas bij. Evelien nipte stiekem van mama’s glas, pakte snel de kaart erbij en zei: ‘Zullen we maar bestellen?’

Haar vader zei: ‘Goed plan.’

Dit was het verschil: mijn ouders zijn praktiserende moslims, Eveliens ouders praktiserende drinkers.

Terwijl ik de menukaart onder de loep nam, ontdekte ik een struikelblok: de volstrekt onbekende namen van de gerechten.

Ik gleed met mijn hand over de panty van Evelien. Ik bedekte mijn gezicht met de menukaart en fluisterde: ‘Wat de fuck is car-pac-cio?’

Haar moeder keek op van de kaart. Ze bleek het gehoor van een vleermuis te bezitten. Terwijl een leesbril op haar neusvleugels rustte, legde ze mij haarfijn uit wat carpaccio was. ‘Dungesneden ossenhaas, met kappertjes en vlokjes Parmezaan,’ herhaalde ik. Heel beminnelijk. Alsof ze mij de grootste gunst van de wereld had gedaan. Ondertussen keek ik verschrikt naar de kelner die aankwam met een dienblad waarop ons bestek op een servetje klaarlag: nóg een obstakel. Bij ons thuis werd er niet met bestek gegeten. Behalve als we spaghetti aten, maar dat was een zeldzaamheid.