Camus

Vandaag had Albert Camus 100 jaar kunnen worden als hij niet in 1960 op 46-jarige leeftijd was omgekomen bij een auto-ongeluk in Frankrijk. De herinnering aan zijn schrijverschap mag wat vervaagd zijn, vergeten is hij niet; hij is een wereldberoemd schrijver gebleven.

Dat hij in 1957 de Nobelprijs voor literatuur kreeg, zal daarbij helpen, maar belangrijker is dat zijn beste romans, L’Étranger en La Peste, en filosofische essays nog altijd gelezen worden. Voor Camus als intellectueel pleit bovendien dat hij, in tegenstelling tot generatiegenoot Sartre, een antitotalitair denker was. Camus’ dochter Catherine heeft spottend opgemerkt: „Toen Sartre werd gevraagd of hij onder een communistisch regiem wilde leven, zei hij: ‘Voor anderen is het fijn, maar voor mij, nee.’” Dat zou haar vader, met zijn afkeer van Stalins gruwelen, nooit hebben gezegd.

Hoe was het om in de schaduw van zo’n grote (postume) reputatie te leven? Voor het Duitse blad Die Zeit ging Iris Radisch, een Camus-biografe, onlangs op bezoek bij zijn kinderen, de tweeling Jean en Catherine, geboren in 1945. Zij blijken al jaren niet meer met elkaar te praten, maar lastiger is dat zij ook tegenover de interviewer weinig mededeelzaam zijn. Misschien door Radisch’ belangstelling voor het privéleven van Camus, die tal van buitenechtelijke relaties had?

Jean Camus woont nog altijd in het huis van Camus aan de Rue Madame in Parijs, waar al zestig jaar de naam Camus op de deur staat. Hij kan hele stukken uit het oeuvre uit zijn hoofd opzeggen. Hij laat zich deze kenschets van zijn vader ontlokken: „Papa était un type bien.” Een beste kerel van wie hij veel had gehouden.

Camus had een beter contact met zijn dochter, ze had zijn vitaliteit en zijn manier van denken. Catherine woont in het tweede huis van haar vader, in de rue Albert Camus in het dorpje Lourmarin in de Provence. Daar bewaakt zij de literaire nalatenschap.

Waar de langjarige correspondentie van haar vader met zijn minnares Maria Casarès is, wil zij niet zeggen. Uit solidariteit met haar overleden moeder Francine? Catherine wil niet oordelen over haar vader, en zeker niet over zijn liefdesleven. Haar ouders onderhielden een diepe vriendschap, dat wil ze nog wel kwijt.

Mijn gedachten dwalen af naar La chute (De val), een novelle van Camus die zich in Nederland afspeelt; Willem Nijholt heeft er in 1984 nog een toneelbewerking van gespeeld. Het is de indringende monoloog van de gesjeesde, naar Nederland uitgeweken Franse advocaat Jean-Baptiste Clamence.

Camus kende Nederland van één bezoek: drie dagen in oktober 1954. Hij moest een lezing houden voor boekhandelaren in Den Haag, waarna hij in het Mauritshuis de Vermeers en Rembrandts ging bekijken. ’s Middags spoorde hij naar Amsterdam, maakte een rondvaarttochtje en liep ’s avonds met de Leidse hoogleraar Sem Dresden gefascineerd door de oude straten, inclusief de Zeedijk.

Het kostte Amsterdam deze passage: „Is het u wel eens opgevallen dat die concentrische grachten van Amsterdam op de cirkels van de hel lijken? De burgerlijke hel dan, wel te verstaan, met haar boze dromen. Als je uit de buitenste cirkel komt, wordt het leven – en dus ook de misdaad – steeds verstikkender en duisterder. Hier zitten we in de allerbinnenste cirkel.”

Amsterdam als de hel op aarde – Camus moet in Rotterdam zelfs postuum een geliefd schrijver kunnen worden.