Sociaal, extravert, man én fraudeur

Werknemers die frauderen zijn vaak gerespecteerd en goed in hun vak Dat blijkt uit onderzoek van KPMG

illustratie veronique de jong

Een mannelijke werknemer tussen de 36 en 55 jaar oud. Hij werkt als manager op de afdeling marketing, sales of finances, meestal op een seniorpositie. Een aardige man, en goed in zijn werk.

Zo ziet de gemiddelde bedrijfsfraudeur eruit, blijkt uit internationaal onderzoek van accountant- en adviesbureau KPMG dat maandag werd gepubliceerd. Het bureau onderzocht 596 fraudezaken tussen 2011 en 2013 bij bedrijven over de hele wereld. In de meeste gevallen werkte de fraudeur samen met één of meer collega’s of externe figuren. In 43 procent van die gevallen hebben de witteboordencriminelen het bedrijf voor meer dan 500.000 dollar opgelicht. In 16 procent van de gevallen bedroeg de schade meer dan 5 miljoen dollar. Er zijn twintig Nederlandse fraudezaken onderzocht.

Yvonne Vlasman, partner bij KPMG Forensic, werkte mee aan het onderzoek.

Wat voor type is die bedrijfsfraudeur?

„Hij werkt in de meeste gevallen al meer dan zes jaar bij het bedrijf. Het is geen teruggetrokken figuur – zeker niet het type over wie collega’s achteraf zeggen: ‘Ik vond hem altijd al raar.’ Hij is aardig, extravert en sociaal. Dat moet ook wel, want de meeste fraudeurs werken niet alleen. Ze hebben dus een bepaalde mate van sociale intelligentie nodig om mensen ‘mee’ te krijgen, of te misleiden. De fraudeur is gerespecteerd en goed in zijn vak. Vaak heeft hij een hoge functie.”

Om wat voor fraude gaat het?

„Allerlei zaken. We onderzochten zelfverrijking – onterechte declaraties bijvoorbeeld – maar ook belangenverstrengeling en vriendjespolitiek. Fraude in de financiële verslaggeving komt ook vaak voor.”

Wat zet iemand aan tot fraude?

„Bij 54 procent van de fraudezaken was er onvoldoende interne controle, er was dus volop gelegenheid. Hebzucht is een belangrijke drijfveer. In het internationale onderzoek bleken fraudeurs het geld ‘nodig’ te hebben om een extravagante levensstijl te bekostigen. In Nederland was dat minder aan de orde, hier werd de noodzaak vaker verklaard doordat fraudeurs in de schulden zaten door bijvoorbeeld hoge hypotheeklasten.”

De fraudeur moet een manier vinden om het voor zichzelf ‘goed te praten’, staat in het onderzoek. Hoe doet hij dat?

„Veel fraudeurs bleken een superioriteitsgevoel te hebben. Ze menen: ‘Ik ben hier de baas, ik mag bepalen wat er gebeurt.’ Zo zijn er managers die zichzelf een bonus toekennen, gewoon omdat ze vinden dat ze er recht op hebben. De deskundigheid en autoriteit van die hooggeplaatste fraudeurs maakt bovendien dat collega’s denken: ‘Hij zal wel weten wat goed is voor het bedrijf’.”

Welke lessen kunnen bedrijven trekken uit uw onderzoek?

„De fraude is vaak al één tot vijf jaar bezig, voor het wordt ontdekt. Als iemand echt op fraude uit is, kun je dat niet voorkomen. Maar je kunt de schade wel beperken door alerter te zijn op signalen. Die hoge manager met een autonome positie, die geen vragen duldt, nooit werk aan anderen overlaat, nooit op vakantie gaat – waar houdt hij zich eigenlijk precies mee bezig? En hoe zit het met dat bedrijfsonderdeel dat altijd mooie en stabiele resultaten heeft, ondanks de economisch slechte tijden? Als iets too good to be true lijkt, dan is dat meestal ook zo.”