‘Om de dag een woninglijk’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

De aanleiding

Zo nu en dan duikt hij op in de media: de schuchtere buurman die weken in zijn leunstoel zat voordat een vliegenplaag zijn dood verried. Het was onbekend hoe vaak zoiets in Nederland voorkomt. Daarom besloot de GGD Amsterdam vorig jaar om onderzoek te doen in eigen regio. Vorige week verscheen het persbericht met de resultaten van ‘Woninglijken, een probleem van de grote stad?’. „In de metropoolregio Amsterdam (Amsterdam-Amstelland, Diemen, Zaanstreek, Waterland) wordt om de dag een overleden persoon gevonden die al langer dan 24 uur onopgemerkt in een woning ligt”, luidt de eerste zin. De GGD bedacht een naam voor zo iemand: ‘woninglijk’.

Waar is het op gebaseerd?

Om meer te weten te komen over het aantal woninglijken analyseerde epidemioloog Marcel Buster lijkschouwverslagen van forensisch artsen uit de metropoolregio Amsterdam. Het onderzoek gaat over de periode 2005-2012, want sinds 2005 houden forensisch artsen hun werkzaamheden digitaal bij.

En, klopt het?

Als er iemand doodgaat, dan moet er een ‘verklaring van overlijden’ worden getekend. In het onderzoek is gekeken naar lijkschouwverslagen van forensisch artsen die de verklaring van overlijden gaven. Tijdens de onderzoeksperiode schouwden zij 1577 ‘woninglijken’. Dat is inderdaad ongeveer een half lijk per dag. 8 jaar = 2992 dagen (2012 en 2008 waren schrikkeljaren). 1577 : 2992 = 0,53 lijk per dag.

Op het eerste gezicht lijkt de informatie uit het persbericht te kloppen. Maar een forensisch arts is niet de enige persoon die een verklaring van overlijden mag tekenen. Ook huisartsen zijn daartoe bevoegd. Een forensisch arts wordt pas ingeschakeld als het tijdstip of de oorzaak van overlijden niet duidelijk is, en dat is niet bij alle woninglijken het geval.

Kees Das is forensisch arts en was in de jaren tachtig zelf huisarts. „Als iemand langer dan 24 uur dood is, misschien wel drie of vier dagen, en je kunt dat als behandelend arts reconstrueren – bijvoorbeeld doordat de patiënt ziek was en er post ligt van drie dagen – dan wordt er meestal geen forensisch arts ingeschakeld. Dat is ook niet verplicht.” Bij het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) of de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) is niet bekend hoe vaak een huisarts een persoon in een woning aantreft die 24 uur of langer dood is. Woninglijken die niet door forensisch artsen worden gezien, tellen niet mee in het onderzoek van de GGD. Het ligt volgens Das voor de hand dat er meer woninglijken zijn dan uit het onderzoek naar voren komt.

Dan is er nog de schatting van de periode sinds overlijden. Kun je er wel zeker van zijn dat iemand 24 uur dood is? Volgens Marcel Buster, de onderzoeker, is er altijd een marge. Als een lijk voor de kachel ligt, ontbindt het sneller.

De hierboven genoemde onzekerheden (Wat mist de forensisch arts? Kun je met absolute zekerheid de datum van overlijden vat stellen?) worden genoemd in de uitgebreide onderzoekspublicatie van de GGD Amsterdam, maar ontbreken volledig in het persbericht.

Buster vindt de bevindingen die in de tweede zin van het persbericht genoemd worden belangrijker. „Eens in de 10 dagen gaat het om een persoon die al twee weken of langer overleden is.” Buster: „Hoe langer iemand dood is, hoe betrouwbaarder het onderzoek.” Het is volgens Das, Buster, het FMG en het KNMG zeer onwaarschijnlijk dat er geen forensisch arts wordt ingeschakeld als iemand langer dan twee weken dood in huis ligt. Buster: „Een niet-gespecialiseerde arts kan dan geen uitspraak doen over het tijdstip van overlijden en schakelt een forensisch arts in.” Desondanks kun je ook hier niet met zekerheid zeggen of iemand ‘2 weken of langer’, en niet bijvoorbeeld 13 dagen, dood is. Je kunt wel uitsluiten dat iemand heel kort geleden is overleden.

Conclusie

„In de metropoolregio Amsterdam (Amsterdam-Amstelland, Diemen, Zaanstreek, Waterland) wordt om de dag een overleden persoon gevonden die al langer dan 24 uur onopgemerkt in een woning ligt.” Dat schreef de GGD Amsterdam in een persbericht naar aanleiding van een eigen onderzoek. Dat klopt niet helemaal, want alleen de gegevens van forensisch artsen zijn geanalyseerd maar niet alle ‘woninglijken’ worden door hen geregistreerd. Het is waarschijnlijk dat het aantal woninglijken hoger zou zijn als ‘verklaringen van overlijden’ van huisartsen waren inbegrepen, maar die gegevens zijn niet beschikbaar. Ook kun je de datum van overlijden nooit met absolute zekerheid vaststellen. Volgens de onderzoekers had het persbericht genuanceerder gekund, maar benadert de berichtgeving de waarheid voldoende. We beoordelen de stelling als grotendeels waar.