‘Ik zou geen trainer van Vitesse kunnen zijn’

De Zwollenaar Ron Jans is sinds deze zomer met succes trainer van PEC Zwolle, waar hij ook als speler al actief was. „Mijn vader geniet ervan.”

Ron Jans op de tribunes van het IJsseldeltastadion van PEC Zwolle. „Mijn spelers zijn bijna allemaal kneusjes, maar dat bedoel ik positief.” Foto Eric Brinkhorst

Een gelukkige hand had Ron Jans nog niet gehad in het kiezen van een nieuwe club.

Na acht succesvolle jaren bij FC Groningen belandde hij in 2010 bij de buren van sc Heerenveen, een tot dan toe zeer stabiel geleide club waar het precies vanaf dat moment begon te rommelen. Vorig jaar werd hij bij Standard Luik na dertien wedstrijden en evenzoveel punten ontslagen.

Vervolgens, deze zomer, kwam PEC Zwolle. De vereniging uit zijn geboortestad, de club waar de voormalige linksbuiten zijn carrière was begonnen en waarvoor hij in zes jaar tijd 44 doelpunten had gemaakt in 157 wedstrijden.

Jans besloot het te doen. Het leek van twee kanten een goede keuze: een ervaren trainer voor PEC, kans op rehabilitatie voor Jans. En soms komt de werkelijkheid overeen met het papier. PEC Zwolle was eerder dit seizoen bijna een maand lang koploper in de eredivisie en staat na twaalf wedstrijden nog altijd zevende, op drie punten van koploper AZ.

Voor Zwolle koos hij niet vanwege zijn verleden, zegt hij. „Maar achteraf is het toch wel erg fijn. Mijn vader bijvoorbeeld, die geniet ervan dat ik hier trainer ben. Hij heeft hier zelf ook gespeeld en kan nu op de koffie komen.”

Nee, Jans ging naar Zwolle omdat hij potentie zag in de spelersgroep. „Het is een leuk elftal, vooral wat betreft de manier van voetballen.” Bovendien was het de club gelukt om de spelersgroep, die vorig jaar onder trainer Art Langeler verdienstelijk elfde was geworden, bij elkaar te houden. Met onder anderen Kamohelo Mokotjo, Stef Nijland en Guyon Fernandez werden er zelfs een paar versterkingen aangetrokken.

Eén dag voor het verstrijken van de transferdeadline vertrok alsnog de beste speler, creatieve middenvelder Youness Mokhtar, naar FC Twente. „Die missen we echt”, aldus Jans.

In allerijl kwam Leroy Labylle van MVV. Hij is niet direct een vervanger voor Mokhtar: PEC had hem volgens Jans al langer op het oog. Met pas één basisplaats heeft hij nog lang niet de waarde voor het elftal die Mokhtar had.

Labylle speelde eerder voor de Belgische topclub Standard Luik en belandde via eerstedivisieclub MVV weer op het hoogste niveau. Zo zijn er meer spelers van PEC aan te wijzen die het eerder niet hebben gered bij een grotere club. Jans: „Het zijn bijna allemaal kneusjes, maar dat bedoel ik positief. Er zit veel rek in die jongens. Misschien kunnen ze via ons weer een stapje omhoog doen. Zo’n club moeten we zijn, willen we ook zijn.”

De scouts van PEC kijken geregeld rond bij de reserve-elftallen van grotere clubs, op zoek naar nieuwe ‘kneusjes’. Neem de Zuid-Afrikaanse middenvelder Mokotjo, die overkwam van Feyenoord. Een makkelijke voetballer, zegt Jans. „Hij is goed in de opbouw, speelt vooruit, is een teamspeler, ligt goed in de groep. Ik vind hem vergelijkbaar met Feyenoorder Jordy Clasie. Maar soms loopt dat dan niet bij een club. Wij profiteren ervan.”

Aan Jans vervolgens de taak om hen beter te maken. „Ik maak spelers niet beter”, countert hij. „Dat doen ze zelf. De staf is dienend. De term ‘beter worden’ heb ik trouwens afgeschaft. Ik spreek liever van ‘ontwikkelen’. Dat klinkt mooier. Stap voor stap, weten waar je naartoe wilt. En soms ook een stapje terug, als een speler alles uit zichzelf haalt, maar toch het niveau niet aankan.” Deze zomer moesten tien spelers van Zwolle vertrekken naar een club op een lager niveau.

Een vaste speelwijze heeft Jans niet. Bij Zwolle speelt hij meestal met buitenspelers, bij Groningen was het vaak 4-4-2 met een ruit op het middenveld. „Het systeem moet bij de selectie passen. Je moet je beste spelers tot hun recht laten komen. Wel ga ik altijd uit van positiespel, spelen op balbezit en een verzorgde opbouw.”

Ruim een jaar na de promotie ligt de club uit Zwolle op koers om haar eigen doelstelling te halen: een stabiele middenmoter worden. En soms, zegt Jans, kan PEC misschien „aanschuren tegen de achtste plaats” – en zich zodoende mengen in de strijd om Europees voetbal.

Zou Jans zich weer voor langere tijd aan één club verbinden? Bij Groningen werkte hij acht jaar lang nauw samen met een directeur (Hans Nijland) en een technisch verantwoordelijke (Henk Veldmate) in wie hij veel vertrouwen had – en zij in hem. „Lang zittende trainers doen het vaak goed in het voetbal. Kijk naar Alex Ferguson, Arsène Wenger, Otto Rehhagel, Thomas Schaaf, Foppe de Haan, Guy Roux. Ook bij hen ging het weleens een jaartje wat minder, maar de clubleiding hield dan terecht het vertrouwen. Waarom kan dat niet vaker? Soms ligt het aan de trainer zelf, omdat hij verder wil kijken. Maar ik pas het beste in een situatie waarin de technisch directeur of de voorzitter er lang zit, en stabiliteit, rust en duidelijkheid creëert.”

Daarom, zegt Jans, zou hij bijvoorbeeld geen trainer van Vitesse kunnen zijn. „Ik geef John van den Brom groot gelijk dat hij daar na één seizoen weer wegging. Met zo weinig rust en stabiliteit aan de top zou ik niet kunnen werken.”

Als Groningen-trainer had Jans serieuze gesprekken met FC Twente en FC Köln, maar in beide gevallen wilde hij zijn contract niet voortijdig opzeggen. Bij PEC tekende hij een contract voor twee jaar. „Ik wil voor mijn plezier gaan. Dat kan door hier te blijven, het kan ook een overstap naar een topclub of een buitenlandse club zijn. Ik ben ambitieus, maar voor status of geld hoeft het voor mij niet meer.”