Erasmusprijs van de democratie voor een oude ‘Europa-filosoof’

De Duitse filosoof Jürgen Habermas (84) pleit al jaren voor een verenigd Europa. Rijke landen moeten solidair zijn met arme.

Wil Europa niet vervallen tot een verzameling slechts in schijn democratische staten, waar de werkelijke, ingrijpende beslissingen in niet-democratisch gelegitimeerde supranationale gremia worden genomen, dan zal het nodig zijn de Europese instituties te versterken en ze meer bevoegdheden te geven, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat Europa democratisch sterker verankerd wordt.

Dat is de boodschap waarmee de 84-jarige Duitse filosoof Jürgen Habermas gisteren het gesprek aanging met jonge Nederlandse academici in het Trippenhuis in Amsterdam, zetel van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Habermas ontvangt vandaag de Erasmusprijs 2013.

De prijs, 150.000 euro groot, wordt jaarlijks toegekend aan een persoon of instelling die een buitengewone bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk gebied. De Stichting Praemium Erasmianum plaatst de uitreiking dit jaar in het teken van ‘democratie’.

Habermas, een van de grootste levende filosofen, is sinds de jaren negentig voorstander van een versterking van het proces van Europese eenwording, onder andere in een pamflet dat een echte Europese Grondwet bepleit. (Zur Verfassung Europas, 2011).

In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren de landen van West-Europa op weg naar het „democratisch kapitalisme”, betoogde Habermas. Sinds 1945 werd de politiek in deze landen gekenmerkt door een door de politieke partijen nagestreefd delicaat evenwicht tussen enerzijds de noodzaak de ondernemingen winstgevend te houden, en anderzijds de burgers te vriend te houden door eerlijke inkomensverdeling, economische bestaanszekerheid en een gegarandeerde toegang tot openbare diensten en tot collectieve goederen.

In de jaren tachtig veranderde deze situatie: de Europese staten stemden in met de overdracht van een deel van hun macht aan mondiale markten. Sindsdien hebben nationale regeringen minder instrumenten om tussen de belangen van het bedrijfsleven en die van burgers evenwicht te bewaren, en wordt op de rechten en bestaanszekerheid van de minder rijke burgers meedogenloos bezuinigd. Resultaten zijn een toenemende politieke apathie bij kiezers, en een bredere kloof tussen politici en bevolking.

De nationale staten van Europa, zegt Habermas, dreigen oorden van politiek ritueel zonder werkelijke macht te worden, achter een democratische façade. Daarom dient het democratisch proces naar Europees niveau te worden overgeheveld, waar nu nog niet-democratisch gelegitimeerde bureaucraten, rechters en bankiers de dienst uitmaken.

Is dat gebeurd, dan moet er ook echt Europese 'solidariteit' komen, en grootscheepse overdracht van welvaart uit de rijke landen naar de armere staten van het continent waar de bevolking nu wordt uitgekleed. Het is, vindt Habermas, een fictie te denken dat de economische crisis op basis van nationale staten kan worden opgelost, waarbij de rijkere staten op hun centen blijven zitten en van de politici in de armere staten verwachten dat deze op nationale basis de zaak oplossen.

Vooral de vraag van die ‘solidariteit’ leek de jonge academici in het Amsterdamse Trippenhuis gisteren te intrigeren. Hoe stelt Habermas zich voor, de kiezers in de verschillende landen uit hun protectionistische, in sommige landen rechts-populistische kramp te bevrijden zodat ze blijmoedig instemmen met het uitsmeren van hun rijkdommen over het hele continent? Daar had de Duitse denker maar ten dele een antwoord op: zijn denkbeelden over solidariteit adstrueerde hij eerder met argumenten uit de filosofisch-ethische sfeer, dan met praktisch-politieke voorstellen.