De vraag is: willen we wel iets leren?

Wie één boek of rapport wil lezen over economie en politiek, komt dit jaar aan zijn trekken in ’t advies Naar een lerende economie van denktank WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Het rapport straalt niet de urgentie uit van zijn voorganger Plaats en toekomst (1980), uit de vorige economische crisis. Maar de wisselwerking van economie, politiek, onderwijs, en ons sociaal vangnet, de inzet van ruim 200 buitenlandse experts plus de montere beoordeling van vaderlandse instituten en ingesleten reflexen, nodigen uit tot nadenken.

Twee van de pijlers onder het advies komen straks aan bod, maar eerst een observatie bij de titel. Op twee plaatsen in het rapport noemt de WRR nut en mogelijkheid van een investeringsfonds dat de opbrengsten van ons aardgas besteedt aan nieuwe projecten en nieuwe technologie. Talloze landen met olie, gas of andere grondstoffen hebben zo’n fonds. Nederland wilde daar sinds de gasvondsten in Groningen vijftig jaar geleden niet aan. Begin deze eeuw verlegde het kabinet-Balkenende de koers even, maar het kabinet-Rutte I maakte daar meteen een eind aan.

Het resultaat is dat de overheid ver boven haar stand leeft. Jaarlijks pompen wij 12 miljard euro uit de grond en in de rijksuitgaven (267 miljard). We stoppen niks terug. We maken niks nieuws om deze eindige inkomstenstroom te compenseren. Het is nooit te laat om het beleid om te gooien. Nooit te laat om te leren. Maar wil Nederland dat wel?

De WRR komt in dit rapport niet met hapklare recepten. Toch is er wel iets te bakken als ‘een WRR-agenda’. De toekomst van Nederland heeft twee constanten: de middenklasse en Duitsland. De eerste is cruciaal voor elke economische en politieke strategie. De tweede is onvermijdelijk: ons buurland, achterland en wellicht ons voorland.

Zonder (in elk geval een deel van) de middenklasse bestaan geen stabiele politieke coalities. Zonder politieke stabiliteit is strategie op langere termijn zigzaggen. Kansloos dus.

De middenklasse zoekt zekerheid. Over de waarde van haar huizen. Over de toekomst van haar banen. Over de toekomst van haar kinderen. De WRR onderkent vlijmscherp hoe de toekomstverwachtingen neerwaarts worden bijgesteld: hoe 58 procent van de bevolking denkt dat hun kinderen het minder goed zullen hebben dan zij. Hoe hoger opgeleide ouderen een heuse (informele) industrie van huiswerkbegeleiding uit de grond hebben gestampt om hun kind op een hoger niveau af te leveren dan de collectief gefinancierde school dat doet. En hoe werkgevers én oudere werknemers „ondanks enkele decennia vergaderen” falen in vernieuwing van hun kennis en vaardigheden en onvoldoende kansen scheppen voor tweede of derde carrières.

Ietwat plompverloren staat op pagina 299: „Nu is Nederlands grootste probleem de onderinvestering in menselijk kapitaal.” Vandaar de aanbeveling: bescherm geen banen, maar mensen en koppel sociale zekerheid niet aan werkgever en arbeidsrelatie maar formuleer algemen aanspraken.

De tweede Nederlandse constante is Duitsland. Onze grootste afzetmarkt. Een onmisbaar eindstation voor industriële ketens, zoals de toeleveranciers voor de auto-industrie.

Regulier politiek overleg met Duitsland op het hoogste niveau, zoals minister-president Mark Rutte (VVD) heeft geëntameerd, is relevant voor onze Europese positie en kan economische samenwerking ondersteunen. Hetzelfde geldt voor de nieuwe prominente rol bij de vooraanstaande beurs Hannover Messe. Eerder dit jaar prees de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid de Duitse onderzoekspolitiek om haar consistentie en haar ruime middelen. De WRR doet er nog een schepje bovenop.

Duitsland is geen rolmodel, maar de langetermijnoriëntatie moet ons voorland worden. Het kopiëren waard.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.