Zwart & Wit

Een Antilliaanse vrouw: „Ik voel mezelf een blanke, maar als ik een foto van me zie, zie ik dat ik gekleurd ben.” Een Surinaamse vrouw: „Ik ben kleurloos. Ik begin pas te kleuren in gezelschap.” Zo verwarrend is het soms om zwart in Nederland te zijn. Het zijn twee stemmen die zich vanaf panelen tot je richten op de tentoonstelling Zwart & Wit, die het Tropenmuseum in Amsterdam met gevoel voor timing vorige week begonnen is. Het is een tentoonstelling die in haar teksten de bezoeker vooral vragen stelt, zonder zelf antwoord te geven.

Hoe komt het dat bij sommige muziekconcerten (hardrock, klassiek) en sporten (hockey, wielrennen) weinig zwarte gezichten te zien zijn? Waarom bestaan er nauwelijks zwarte professoren? Is er sprake van buitensluiting of hebben zwarte Nederlanders geen behoefte hieraan deel te nemen? Is een voorkeursbeleid, zoals dat al jaren voor vrouwen geldt, ook de oplossing voor zwarte Nederlanders?

Ik zou er nog graag een vraag aan toevoegen: hoe komt dat er op de eerste zaterdagmiddag van deze tentoonstelling zoveel witte Nederlanders rondliepen en vrijwel geen zwarte?

De tentoonstelling gaat vooral over de moeizame, onderlinge omgang van zwart en wit door de jaren heen – tot op de dag van vandaag. Nee, wij zijn allang geen slavenhouders meer, maar toch blijft het slikken als je zo’n bericht uit de Nieuwe Surinaamsche Courant van 13 januari 1841 leest: „De vendumeester M.A. Keijser zal vrijdag om 4 uur verkopen: makreelen en andere provisien, tabak, stukgoederen, wane- en kopieplanken, de slaven Sancousie, Fortuin en George…”

Als mijn naam daar had gestaan, zou ik toch weer even kwaad zijn geworden. Wie niet? Goed, in 1863 verbood Nederland de slavernij, lang geleden dus, maar Arie IJzerman, voor de SDAP/PvdA van 1922 tot 1946 lid van de Tweede Kamer, moest in die periode opmerken: „In ons land is voor negers bijna geen werkgelegenheid te vinden, behalve misschien in de eerste week van december wanneer er een zekere vraag is naar rasechte zwarte knechten van de diverse Sinterklazen.” Nu zouden zulke zwarte knechten in een deel van de zwarte gemeenschap collaborateurs worden genoemd.

In 1930 wijdt De Groene Amsterdammer een ‘heel neger-nummer’ aan Afrikanen, Afro-Amerikanen, inclusief Surinamers. Een goedbedoeld, baanbrekend initiatief, maar toch valt zelfs hier in de inleiding een licht verontschuldigende meewarigheid op: „Hier laten wij dus Negers aan het woord. Negers en auteurs over Negers. Ieder zingt er zooals hij gebekt is. En de lezer moet zelf maar zien wat hij er van denkt.”

De weinige Surinamers die er voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland waren, werden door de politie vaak hardhandig aangepakt. De verslaggever van het blad Het Leven schrijft in een reportage uit 1937 bezorgd: „Wij weten niet wat zich heeft afgespeeld achter de gesloten deuren van het hoofdbureau van Politie, maar wij hebben wél de indruk gekregen, dat er onder deze negers uit Suriname keurige menschen zijn, die niets anders en niets liever willen dan hier in vrede hun brood verdienen.”

Op straat werd je regelmatig uitgescholden voor roetmop en kwattareep, vertelt een Surinaamse barman over de jaren vijftig. De straat is nu vervangen door de sociale media, waar het racistische gescheld is gebleven. Toch is er ook veel ten goede veranderd, al vond ik daar op deze tentoonstelling te weinig van terug.