Wat levert strijd tegen doping op?

Honderden miljoenen worden er jaarlijks uitgegeven aan dopingcontroles. De experts zijn het niet eens over het effect. „Weggegooid geld”, zegt een Duitse onderzoeker.

Wanneer dopingtesten zo weinig resultaat hebben als nu, dan dient er meer en intensiever gecontroleerd te worden. Met die opvatting probeerde Dick Pound, IOC-lid en voormalig voorzitter van het Internationale dopingagentschap Wada, de toon te zetten tijdens de sportconferentie Play the Game in Aarhus, Denemarken. Niet alleen sportbonden maar vooral overheden zouden zich meer moeten inzetten in de ‘oorlog tegen doping.’

Pounds oproep kreeg bijval van Bill Bock, de aanklager van het Amerikaanse dopingagentschap Usada die Lance Armstrong op de knieën kreeg. Het duo vond elkaar in de beschuldiging aan sportbonden in het algemeen en de internationale wielerunie UCI in het bijzonder, dat er te weinig actie wordt ondernemen. Meer inzet, meer geld, meer controles is hun credo. Dat er ‘veel te weinig’ sporters worden ‘gepakt’ vraagt om een strengere aanpak.

Zowel Pound als Bock toonde zich een ware crime fighter. Sporters die dope gebruiken zijn misdadigers, zo klonk uit hun tirades. Bock glom nog van zijn geslaagde jacht op Armstrong, een jaar geleden. „Denk er nog eens aan hoe renners als Floyd Landis en Tyler Hamilton als gevolg van het regime Armstrong in een hotelkamer de dood in de ogen zagen door riskante bloedtransfusies.’’

Perikles Simon, de Duitse dopingonderzoeker van de Universiteit van Gutenberg, en de Amerikaanse leider van de sportersvakbond UNI, Walter Palmer, legden aan de hand van statistieken uit dat in het huidige onderzoeksysteem de kans op positieve gevallen vrijwel nihil is en zal blijven: een handvol positieve testen per jaar op tienduizenden controles, die nota bene duizend dollar per bloedtest en 300 dollar per urinetest kosten. „Nog meer controles, nog meer geld is zinloos”, verklaarde Simon.

Honderden miljoenen dollars worden uitgetrokken voor dopingcontroles, wist Simon. „Weggegooid geld.”

Professor Gerhard Treutlein van de Universiteit van Heidelberg wees op het Duitse dopingprobleem dat al sinds de Tweede Wereldoorlog heerst en vooral door de rivaliteit tussen Oost- en West-Duitsland in omvang toenam. „Nadat de DDR door het IOC als olympisch lid werd toegelaten, wilde de Bondsrepubliek dat hun sporters sterker en sneller werden. Anabolen werden met medeweten, of zelfs op advies van de overheid en artsen aan atleten en wielrenners verstrekt. Iedereen in West-Duitsland wilde dat de Bondsrepubliek meer medailles behaalden dan de DDR. De politiek, de artsen, de onderzoekers, de media, het publiek, iedereen. De sporters werden onder grote druk gezet.”’

Treutlein toonde een schema van een olympische DDR-sporter. Daarop stonden aanbevolen doses van middelen als anabolen, testosteron en zo meer. „Bij zwemmers werd lucht via de anus ingepompt om sneller te zijn. Wie weigerde of er over sprak kreeg 50.000 mark boete van de bond.”

De onderzoeker wees op het gevaar van naijver tussen landen. „Rivaliteit zet sportmensen aan tot ongeoorloofde middelen. Nationalisme en zelfs chauvinisme kunnen gevaarlijk zijn.”