Voer eindelijk eens dat hoognodige debat over normbesef onder artsen

Het gevaar bestaat dat artsen zich als God zien, schrijft Bram de Ridder.

Emeritus hoogleraar neurologie Rien Vermeulen is op de vingers getikt door het AMC-bestuur wegens het feit dat hij het beeld van Jansen (Steur) als monster-dokter nuanceert. Dat het bestuur dit doet is logisch maar kan tegelijk een wezenlijke discussie die gevoerd moet worden, bemoeilijken.

Een paar maanden terug was ik bij de uitreiking van een artsenbul. Een neuroloog sprak namens de examencommissie over het dreigende gevaar voor artsen om een ‘God-complex’ te ontwikkelen. Ik vond het een welkome waarschuwing. Jansen lijkt aan zo’n God-complex te hebben geleden. Vermeulen misschien ook wel. Ik ken hem als hoogleraar: grappig, eigenwijs en arrogant. Zijn opmerkingen over zijn eigen behandelpraktijk zouden als symptomatisch kunnen worden gezien. Overmoedig. Maar het was ook moedig. Bedrog, zoals Vermeulen dit in praktijk zegt te hebben gebracht, werd ingegeven doordat hij het gevoel had beter te weten wat een patiënt nodig had dan de zorgverzekeraar. In die andere kwestie, de zaak Tuitjehorn, gaven veel collega-huisartsen van huisarts Tromp aan dat hun eigen behandelpraktijk inzake terminale patiëntenzorg niet wezenlijk verschilde van die van Tromp. Veel artsen hebben het gevoel het in specifieke gevallen beter te weten dan dat wat in algemene zin bepaald is dat goed is of dan dat wat de zorgverzekeraar verlangt. Niet al deze artsen lijden aan een God-complex. De fundamentele vraag is hoe om te gaan met de eigen wijsheid van artsen. Hoe moeten professionele vrijheid, normbesef en voorschriften zich tot elkaar verhouden? Hoeveel macht moet een zorgverzekeraar hebben? Dat zijn vragen waar het over moet gaan in een medisch zorgsysteem dat bol staat van richtlijnen, behandelprotocollen en registratiedwang, en waarin de zorgverzekeraars toenemend de (on)mogelijkheden van behandelingen bepalen. Mijn ervaring is dat in de medische wereld grofweg op twee manieren wordt gereageerd op deze overregulering. Er wordt enerzijds enorm aan ‘indek-geneeskunde’ gedaan; strategische afwegingen zijn erg belangrijk geworden in de huidige behandelpraktijk. In sommige gevallen is het belangrijker dat iets goed geregistreerd staat dan dat een patiënt er iets mee opschiet. Tegelijkertijd worden, wanneer men denkt dat dit in het belang van de individuele patiënt is, regels op al dan niet opzichtige wijze omzeild. Ik denk dat iedereen, werkzaam in de gezondheidszorg, deze twee tendensen kan onderschrijven.

De artsen met een God-complex komen schaamteloos uit voor hun bedrog. Het is goed dat deze mensen worden gecorrigeerd. Maar het zou zonde zijn als deze correctie de enige gevolgtrekking is. Dit momentum moet worden aangegrepen om het debat over professionele vrijheid, normbesef en richtlijnen te voeren.