Vilde Frang soeverein en acrobatisch in Mendelssohn

Bij veel hedendaagse klassieke muziekrecitals maken artiesten amper contact met hun publiek. Zwijgend komen ze op, zwijgend leveren ze hun stukken af, zwijgend verdwijnen ze weer achter de coulissen.

Op het Rotterdamse recital van violiste Vilde Frang (1986) afgelopen zondag had een knappende snaar het tegenovergestelde effect. Vertwijfeld bedelde Frang bij het publiek om een reserve-exemplaar. Dankbaar onthaalde ze de vioolspelende redder in nood, die er niets minder dan een persoonlijke toegift mee verdiende.

Ook muzikaal wist het jonge Noorse natuurtalent haar luisteraars aan zich te binden. Een spatzuivere toon, rijke timbres en een natuurlijke frasering behoren tot Vilde Frangs primaire handelsmerken. Technische problemen lijken er voor Frang überhaupt niet te zijn.

Net als ook de meeste andere moderne violisten speelt Frang zeer dramatisch en met een onaflatend intense toon. Het verschil tussen expressieve en minder expressieve noten verdween daardoor nogal eens. Gabriel Faurés Eerste Vioolsonate, die zou moeten balanceren tussen drama en elegantie, kwam wat grofmazig en opvallend zwaar tot klinken. In Mozarts Sonate voor viool en piano in A deden dik aangezette opmaten en begeleidingsnoten afbreuk aan de aristocratische spontaneïteit. In het onbekommerde, stralende slotdeel van Felix Mendelssohns Sonate voor viool en piano in F was Frang echter volkomen in haar element: soeverein en acrobatisch bracht ze dit stuk tot een spetterende climax.