Nieuwe tijden vragen omnieuwe architectuur

Nederland zou door de modernisten worden volgebouwd met witte monsters. Onzin, zegt Bernard Hulsman. Het is juist het nieuwe traditionalisme dat floreert.

Illustratie Sebe Emmelot

‘Fuck de Koolhaas’ heet een van de artikelen in de onlangs verschenen bundel Oikofobie. De angst voor het eigene van Thierry Baudet. De titel is een variatie op ‘fuck the context’, de bekende uitspraak van Nederlands beroemdste architect Rem Koolhaas (1944). In zijn betoog, een actualisering van een eerdere bijdrage aan de opiniepagina van deze krant, keert Baudet zich tegen de ‘conceptuele’ architectuur van Koolhaas en andere ‘supermodernistische’ architecten. Lelijk noemt hij simpelweg hun gebouwen die niet kunnen worden begrepen zonder uitgebreide uitleg over hun ‘concepten’.

Ook de opvatting van modernisten dat een hedendaags architect niet kan of mag ontwerpen in een oude, traditionele stijl verwerpt Baudet. Dit kan heel goed, vindt hij, en is zelfs te prefereren. Een ander artikel in Oikofobie is gericht tegen de Badkuip, de nieuwe uitbreiding van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ontheiligingen van de oude stad, noemt Baudet de Badkuip en het Eye, het nieuwe, witte filmmuseum in de vorm van een oester aan het IJ in Amsterdam-Noord.

Wie Baudets tirades tegen modernistische architectuur leest, krijgt de indruk dat heel Amsterdam en ook de rest van Nederland wordt volgezet met witte monsters als de Badkuip en Eye. Vermoedelijk is Baudet al heel lang niet uit zijn studeerkamer gekomen, want wie nu door het oude Amsterdamse centrum loopt, moet vaststellen dat de gewoonte om de gaten in de oude stad te vullen met gebouwen die ‘de oude stad ontheiligen’ al bijna twintig jaar voorbij is. Sinds het debacle van Ben van Berkels De Kolk uit 1996, het schots-en-scheve, sterk van de omgeving afwijkende complex met woningen, winkels en kantoren rondom de Nieuwezijds Kolk in Amsterdam waar alle stadsbestuurders zich een ongeluk van schrokken, is bijna elk gat in de oude binnenstad gevuld met historiserende architectuur. Vaak zijn de nieuwe huizen nauwelijks te onderscheiden van de belendende oude panden, soms zelfs helemaal niet. Zo ontwierp Buro de Binnenstad al in 1997 aan de Kromboomsloot, een van de oudste grachten van Amsterdam, een pand dat de Amsterdamse monumentendienst bij een inventarisatie aanzag voor een ‘huis met grote te architectonische waarde van voor 1940’.

Iconisch, ja! Dat trekt aandacht

Natuurlijk kiezen opdrachtgevers bij prestigieuze gebouwen als het Amsterdamse filmmuseum Eye nog altijd vaak voor architecten die een ‘iconisch’ gebouw maken. Dit is tenslotte de beste manier om aandacht te trekken. Toch domineren Superdutcharchitecten, zoals de ‘conceptuele’ navolgers van Rem Koolhaas wel worden genoemd, al lang niet meer de Nederlandse architectuur. In het eerste decennium van de 21ste eeuw was niet Rem Koolhaas de invloedrijkste architect in Nederland, maar de Luxemburger Rob Krier. En Rob Krier is de even postmodernistische broer van Leon Krier, de architect die Baudet in Oikofobie als voorbeeld noemt van een ontwerper die ‘laat zien hoe nieuwe architectuur eruit kan zien als we de ingebeelde noodzaak van ‘modernisme’ doorbreken.’

De zegetocht van Rob Krier door Nederland begon in de tweede helft van de jaren negentig, toen in Den Haag en in Helmond opzienbarende, traditionalistische ontwerpen van hem werden uitgevoerd. In Den Haag werd De Resident gebouwd, een wijk bij het Centraal Station waar Kriers een gebied met vrijstaande kantoorkolossen veranderde in wat hij een ‘Europees stadsdeel’ noemt, met ouderwetse, nauwe straten en besloten pleinen. Al even onversneden postmodernistisch is Kriers Helmondse vinexwijk Brandevoort, die de vorm kreeg van een oud vestingstadje met neotraditionalistische gebouwen.

Opmerkelijk genoeg begon Kriers succes in Nederland juist nadat critici in het begin van de jaren negentig – tot hun grote opluchting – hadden vastgesteld dat het postmodernisme in Nederland weinig schade had aangericht. Zo was Nederland twintig jaar geleden het Cuba van de architectuur, waar postmodernisme, anders dan in de rest van de westerse wereld, nauwelijks voet aan de grond had gekregen en de modernistische traditie ongebroken bleef. Daar waren de Nederlandse architecten en critici heel tevreden over. Zoals de Cubaanse communisten er trots op waren dat hun land een van de laatste bastions van orthodox communisme was, zo lieten Nederlandse architecten zich er twintig jaar geleden op voorstaan dat zoiets frivools en oppervlakkigs als het postmodernisme aan Nederland was voorbijgegaan.

Een paar jaar later verklaarden ze het postmodernisme zelfs dood. Maar juist toen brak het, verlaat maar des te heftiger, door in Nederland. Niet alleen kreeg Rob Krier na het succes van Brandevoort, vele opdrachten in Nederland, maar ook gingen steeds meer Nederlandse architecten ‘fuck de Koolhaas’-architectuur maken. Ironisch genoeg hangt de bloei van het postmodernisme in Nederland samen met de globalisering, een verschijnsel dat Baudet in juist verantwoordelijk houdt voor het door hem zo betreurde verlies van ‘het eigene’.

Globalisering heeft een januskop die in de architectuur supermodernisme en postmodernisme als gezichten kreeg. Supermodernistische architecten buigen voor de globalisering en het digitale tijdperk. Nieuwe tijden vragen om nieuwe architectuur, vinden ze, en zonder voorbehoud gaan ze mee met de stroom van digitalisering, toenemende mobiliteit, enzovoorts en ontwerpen ‘fuck-the-context’-gebouwen die niet zijn gebonden aan plaats en tijd en overal in de geglobaliseerde wereld zouden kunnen staan.

Maar globalisering heeft een keerzijde, waardoor veel mensen verlangen naar een eigen, herkenbare plek. Wie al een groot deel van zijn leven achter computers en in auto’s doorbrengt op digitale en echte snelwegen, wil zijn vrije tijd niet ook nog eens besteden in een volkomen neutrale omgeving. Juist veel digitale, hypermobiele mensen verlangen daarom naar postmodernistische gebouwen die reageren op de ‘context’, en een eigen, onverwisselbare ‘identiteit’ creëren.

De doorbraak van het postmodernisme in Nederland was ook het rechtstreekse gevolg van de grootste politieke verandering in de Nederlandse woningbouw sinds de Woningwet van 1901: de verzelfstandiging van de woningbouwverenigingen in 1995. Voortaan moesten de corporaties op eigen benen staan. Dit leidde tot een aardverschuiving in de Nederlandse woningbouw. Sinds de verzelfstandiging zijn het vooral commerciële bouwers als projectontwikkelaars die het leeuwendeel van de woningbouw in Nederland voor hun rekening nemen. En ‘woonconsumenten’ hebben, zeggen projectontwikkelaars op basis van lifestyle-onderzoeken, vaak een voorkeur voor traditionalistische architectuur. Zo kreeg de markt waar die om vroeg en veranderde Nederland in korte tijd van het Cuba van de architectuur in het land waar de ‘fuck de Koolhaas’-architectuur nog altijd bloeit als nergens anders.