Mist WRR met rapport kracht van urgentie?

Een generatie politieke economen en economische beleidsmakers is ermee opgegroeid. Met Plaats en toekomst, zoals sommigen het rapport nog steeds liefdevol noemen. Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie (1980) heet het voluit. Het was geschreven door een commissie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de WRR, onder leiding van hoogleraar Arie van der Zwan. Het bleek een van de katalyserende publicaties die de weg baanden uit de economische depressie van dertig jaar geleden.

Nu publiceert de denktank WRR een nieuw rapport dat strategische lijnen schetst. Op mijn twitteradres (@menno_tamminga) staan vanmiddag internetverwijzingen naar beide rapporten. Evenals in 1980 heeft dit rapport een weinig wervende titel: Naar een lerende economie. Ondertitel: Investeren in het verdienvermogen van Nederland. Hoofdauteur is Peter van Lieshout, hoogleraar zorgtheorie (Universiteit Utrecht) en eerder hoge ambtenaar op de ministeries van Volksgezondheid en Sociale Zaken.

De tekst van Plaats en toekomst besloeg 315 pagina’s. Nu 375. De letter van toen oogt kleiner dan die nu. De leesbaarheid van de Lerende economie is beter, dankzij ruimere lay-out.

De overeenkomst tussen toen en nu is meer dan een economische crisis en de urgentie van herstel. Nederland was en is een overdrijvend verdelingsland. Politiek-economisch overleg (vakbonden, werkgevers en kabinet) draait om verdelingsvraagstukken: van arbeidskosten, van banen, van belastingen en van bezuinigingen. De spraakmakende sociaal-politieke gemeente ziet de opbrengsten van ondernemen en ondernemerschap als een gegeven.

De WRR steekt voorzichtig de hand in eigen boezem. De denktank suggereert in de nasleep van het welvaartssucces ook wat achteloos te zijn geweest met nadenken over het verdienvermogen van Nederland. Hoe bereiken we toekomstig economisch succes?

De kracht van Plaats en toekomst was urgentie. Nederland moest een crisis overwinnen en daarin speelde de industrie als bedrijfstak een centrale rol. Dat is opnieuw actueel. Als handelsland met zeehaven Rotterdam en luchthaven Schiphol vergeet Nederland telkens weer dat een ‘economie met ballen’ niet zonder industriële basis kan. Het succes van bijvoorbeeld chipmachinefabrikant ASML in Veldhoven heeft de afgelopen jaren gezorgd voor een heropleving van politieke en onderwijskundige aandacht voor de industrie in brede zin. Het jongste WRR-rapport straalt per saldo minder urgentie uit. Maar industrie móet een hoeksteen van de economie zijn.

Het verschil tussen toen en nu is de tijdgeest. Plaats en toekomst borduurde voort op het naoorlogse beleid dat de overheid een sturende rol speelt in de economie en weet welke kant op gestuurd moet worden. Het rapport mondde uit in een regeringscommissie voor industriebeleid en de nieuwe ‘industriebank’ Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP). Maar toen dat in de steigers stond, was de tijdgeest al radicaal veranderd. Overheidsinterventies waren passé. Geen geld. En al helemaal geen idee welke kant op. Snel verliep het politieke tij. De westenwind woei. De politieke ideologie (Thatcher, Reagan, Lubbers) was gedraaid van interventie en industriepolitiek naar liberalisering, privatisering en marktwerking. Wat weten ambtenaren en politici van innovatie en nieuwe producten?

Lerende economie wil net als zijn voorganger richting geven aan onze politiek-economische en sociale langetermijnstrategie. Wat kunnen we daarmee? Wat kan het ‘kleine’ Nederland in de steeds grotere mondialisering?

Genoeg. Morgen staan op deze plaats twee peilers onder de WRR-toekomst centraal.

Plaats en toekomst markeerde achteraf het eind van een ideologisch tijdperk. Lerende economie kan een aarzelende verschuiving extra vaart en vertrouwen geven. Van verdelen naar maken. Van west naar oost. Bis morgen.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.