In onze overheid geloven wij

Van wie komt deze oproep: „Burgers in het hart van Europa [...] moeten aandringen op verdere politieke integratie, om hun zeggenschap te kunnen uitbreiden over quasi-natuurlijke economische krachten en een democratisch evenwicht te kunnen herstellen tussen de politiek en de markt.”

Eens kijken, Europa, democratie... uit een partijprogramma voor de verkiezingen voor het Europees Parlement in mei? Maar aan welke partij moet je dan denken? Er is geen Nederlandse partij meer die zoiets zou durven opschrijven. Van VVD tot PvdA en CDA willen de oude pro-Europese partijen de EU tegenwoordig juist zo klein mogelijk houden, en bevoegdheden terugsluizen naar het nationale niveau. Zelfs D66, de meest Europese van het stel, besprak op zijn congres zaterdag dat Democraten óók niet al te lichtzinnig moeten opstomen naar meer Europa. (Dit bleek overigens in een debatsessie over de vraag „Waarom zijn we ook al weer zo voor Europese integratie?” Die formulering zegt natuurlijk niets – bij de nazaten van Van Mierlo is op het oog wanhopige twijfel min of meer hetzelfde als ergens in geloven. Als in: waarom bestaat D66 ook al weer?)

Nee, deze zin komt uit het dankwoord dat de Duitse liberaal-democratische filosoof Jürgen Habermas woensdag uitspreekt in Amsterdam. De Groene Amsterdammer drukte het al af. Habermas ontvangt daar de Erasmusprijs uit handen van koning Willem-Alexander. Een prijs ter onderscheiding van ‘ondogmatisch denken’ in Europa, die humanistische tolerantie en ‘culturele veelvormigheid’ beloont.

Dat is allemaal moeiteloos van toepassing op Habermas, geboren in 1929. Zijn denken is doortrokken van (doorleefd) wantrouwen tegen de natiestaat, ook al is dat niet altijd expliciet. Democratie en een ‘transnationaal’ Europa – gelegitimeerd door burgers – ziet hij als garanties tegen ‘systemen’ als markt en staat die met uw vrijheid op de loop kunnen gaan. De EU is Habermasiaans als zij staatssteun verbiedt, regiotalen beschermt, burgers in staat stelt tegen hun staat te procederen. Habermas gelooft ook in solidariteit: landen (Duitsland voorop) die offers voor elkaar brengen, in het gemeenschappelijk belang.

De Erasmusprijs voor zo’n Europadenker in Amsterdam heeft iets exotisch, anachronistisch – hier zijn zulke ideeën allang uit zicht. Europa wordt hier soms ‘superstaat’ (in wording) genoemd en altijd meer dan de ‘eigen’ overheid gewantrouwd. Misschien speelt het nationale verleden mee: op onze politici valt veel te mopperen, maar de overheid is van oudsher toch een beschermende instantie – tegen water, bezetters en andere bedreigende invloeden van buiten. Europa, met de Duitse en Franse machten, is gevoelsmatig eerder een ‘vreemde invloed’ dan een individu-beschermende buffer tegen markt en staat. Die rol moet bij elke regel (over plastic zakjes, nu weer) door Europa-voorstanders bevochten worden – en wie doet dat nog? Meestal resteert alleen het economische argument voor Europa.

Maar het vertrouwen in ‘eigen’ overheid blijft sterk. Voorbeeldje: het College Bescherming Persoonsgegevens waarschuwde vorige week dat de decentralisaties waar het kabinet aan werkt, van langdurige zorg tot jeugdhulp, ermee gepaard gaat dat de gemeenteambtenaar die u helpt met bijvoorbeeld werk, straks alles al van u weet. Maar wie klaagt daar verder over? De zorgen gaan over de uitvoerbaarheid van deze operaties. Of neem de invloed van technologie. Bij overheidsbeleid is hetzelfde gaande als bij internetbedrijven en inlichtingendiensten: gedrag van mensen is steeds fijnmaziger te volgen en te beïnvloeden. Minister Schultz (Infrastructuur, VVD) stoelt daarop enthousiast verkeersbeleid: als je rekening houdt met favoriete college-uren van studenten, heb je minder bussen nodig. Handig toch? En minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) zoekt uit wie de NSA hier nu volgt, maar over gebruik van nieuwe middelen door eigen diensten is weinig wantrouwen te bekennen.

René Moerland is chef van de politieke redactie in Den Haag.