Dat wordt lastig, voor de staat en Greenpeace

Nederland-Rusland is geen gelopen race bij het Zeerechttribunaal. Diplomatieke aanpak is beter, meent Nico Schrijver.

Deze week dient het kort geding dat Nederland tegen Rusland heeft aangespannen bij het Internationaal Tribunaal voor het Recht van de Zee in Hamburg. Dit wegens het opbrengen van het Greenpeaceschip Arctic Sunrise. Het wordt voor Nederland een zware dobber om schip en bemanning vrij te krijgen en de gerechtelijke procedures in Rusland te doen opschorten. Nederland verzoekt het voltallige VN-Zeerechttribunaal dergelijke voorlopige maatregelen te nemen, nu Rusland weigert in te gaan op het verzoek van Nederland om het geschil aan een arbitrageprocedure te onderwerpen. Centraal in dit geschil staan uitleg en toepassing van het VN-Verdrag inzake het Recht van de Zee.

Dit verdrag kent een gecompliceerde geschillenbeslechtingsprocedure. Verdragspartijen zijn verplicht deze te aanvaarden, maar er bestaan vier mogelijke procedures: het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, het VN-Zeerechttribunaal in Hamburg, arbitrage en speciale arbitrage. Nederland koos bij ratificatie van het verdrag voor het Internationaal Gerechtshof. Rusland maakte daarentegen reeds bij de ondertekening zijn voorkeur bekend voor arbitrage en speciale arbitrage. Het verdrag bepaalt dat bij verschillende keuzen van partijen arbitrage de terugvalprocedure is. Daarnaast heeft Rusland bij zijn ratificatie ook gebruik gemaakt van uitzonderingsmogelijkheden en verklaard dat de staat niet accepteert dat het verplichte geschillenbeslechtingssysteem van toepassing is op ‘rechtshandhavende activiteiten in het kader van de uitoefening van soevereine rechten of rechtsmacht’. Daarom menen de Russen dat zij niet verplicht zijn mee te werken aan de door Nederland aangespannen arbitrageprocedure.

Naast deze procedurele belemmering is er een inhoudelijk obstakel voor Nederland. Het Zeerechtverdrag erkent het recht van iedere kuststaat op het uitoefenen van soevereine rechten op exploratie en exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in een exclusieve economische zone van 200 zeemijl en een uitgestrekt continentaal plat. Artikel 60 van het verdrag voorziet in het recht om in deze gebieden installaties op te richten en in bedrijf te nemen. Het olieplatform Prizazlomnaya in de Barentszzee valt daaronder. Daarbij erkent het verdrag het recht om een veiligheidszone van maximaal 500 meter rondom de olieplatforms in te stellen; de Russen claimen in eigen wetgeving evenwel een veiligheidszone van drie zeemijl. Dit staat op gespannen voet met de verdragsbepaling. De Arctic Sunrise is de veiligheidszone zonder toestemming binnengevaren en heeft in de vroege morgen van 19 september speedboten neergelaten. Vier Greenpeaceactivisten slaagden erin de olieplatforms te beklimmen. Na enkele uren maakten de Russen een eind aan de actie, hielden activisten aan en namen speedboten in beslag. Dit gebeurde in de veiligheidszone. Daarnaast beletten zij de Arctic Sunrise uit te varen en brachten het schip naar Moermansk.

Greenpeace en de Nederlandse staat beroepen zich op het recht van vrije scheepvaart dat ook in de exclusieve economische zone geldt. Nederland negeert in zijn verzoek tot voorlopige maatregelen door het Zeerechttribunaal artikel 60 van het verdrag over olieplatforms, alsmede het Russische voorbehoud bij de verplichte geschillenbeslechtingsprocedure voor rechtshandhavende maatregelen in de uitoefening van soevereiniteit of economische rechtsmacht. Dit is wellicht gedaan omdat de Arctic Sunrise zich buiten de veiligheidszone bevond toen de Russen de kapitein het bevel gaven halt te houden. Nadat deze dat meermaals weigerde, enterde de Russische kustwacht het schip en nam het op open zee in beslag zonder voorafgaande toestemming van Nederland als vlaggenstaat. Bij het feitenrelaas in het procesdossier zit wel een diplomatieke nota van de Russen aan de Nederlandse regering, waarin zij klachten uiten over de hinderlijke aanwezigheid van het Greenpeaceschip, dat de veiligheid van werknemers van het olieplatform in gevaar zou kunnen brengen.

Het valt te prijzen dat de Nederlandse regering als vlaggenstaat op de bres springt voor schip en bemanning, waarvan twee leden de Nederlandse nationaliteit hebben. De Russische aanklacht dat de Greenpeaceactivisten zich aan piraterij of terroristische daden hebben schuldig gemaakt, raakt kant noch wal. Ongewapend en zonder winstbejag was slechts sprake van een assertief aangezet vreedzaam protest tegen een dreigende milieuaantasting. Toch is het voor Nederland te gemakkelijk zich voor te laten staan op zijn juridische gelijk nu ook de Russen sterke juridische argumenten kunnen aanvoeren. Het is laakbaar en arrogant dat zij weigeren mee te doen aan de procedures van een ad hoc arbitragetribunaal en zelfs het permanente Zeerechttribunaal. Dit zal zich weliswaar niet graag onbevoegd verklaren, maar het kan uitsluitend voorlopige maatregelen uitvaardigen indien het meent dat er op het eerste gezicht rechtsmacht voor het ad hoc-tribunaal zal kunnen zijn en indien de urgentie van de situatie dit vereist. Het Zeerechttribunaal zal nog deze maand een gedegen afweging van de feitelijke en juridische situatie moeten maken, maar deze zal niet zonder meer in het voordeel van Nederland uitvallen. Ook al zou het Zeerechttribunaal een voor Nederland gunstige beslissing nemen, dan is daarmee de kous niet af, want het blijft ongewis of het ad hoc-tribunaal dat bij de behandeling van de hoofdzaak ook doet. Daarmee is veel tijd gemoeid.

Om deze redenen is het verstandig dat minister Timmermans iedere kans aangrijpt om tot een diplomatieke oplossing te komen – voor, tijdens of na het bezoek van het Nederlandse koningspaar aan Rusland.