Culturele prestatiebeloning

Voor de 84 grote culturele instellingen in Nederland die rechtstreeks subsidie van het Rijk krijgen, geldt vanaf 2017 dat „bewezen prestaties garanties voor de toekomst bieden”. Dat schreef minister van Cultuur Jet Bussemaker (PvdA) vrijdag in haar brief aan de Tweede Kamer over de nieuwe vierjarige subsidieperiode Cultuurstelsel 2017-2020. Het gaat om instellingen van nationaal en internationaal belang zoals het Rijksmuseum, Toneelgroep Amsterdam en het Concertgebouworkest.

Het is een goede zaak dat de minister aan deze vorm van culturele prestatiebeloning gaat doen. Want die logica was nog niet ingebakken in de culturele basisinfrastructuur. Sinds dit stelsel voor grote cultuurinstellingen in 2009 is ingevoerd, werden die vooral beoordeeld op hun plannen voor de toekomst. De Raad voor Cultuur adviseerde de minister vooral op basis daarvan of een instelling de komende vier jaar weer subsidiewaardig was. Al voerde toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD) voor 2010-2011 wel de eigen inkomstennorm van 17,5 procent als harde voorwaarde in, die door musea als Boerhaave en Meermanno maar net werd gehaald.

Bussemaker streeft een zakelijker, gestroomlijnder en evenwichtiger manier van beoordeling na. Daarin wordt ook goed gedrag meegewogen en beloond, naast een toetsing van het artistieke gehalte van de instelling door de Raad voor Cultuur. De regels en procedures voor culturele subsidiëring op provinciaal en gemeentelijk niveau wil de minister meer op één lijn brengen met die van het Rijk.

Dat de minister kiest voor een transparantere en zakelijkere aanpak van kunstsubsidiëring is toe te juichen. Maar er kleeft een gevaar aan. Culturele kwaliteit is niet louter een optelsom van eenvoudig kwantificeerbare grootheden als publieksbereik en inkomsten.

Cultuur heeft niet alleen een economische en maatschappelijke waarde. Als je alleen die maar meet, kan dat leiden tot verstarring van artistieke en esthetische waarden, gebrek aan experiment en gebrek aan talentontwikkeling. Als de minister in 2015 de nadere invulling van deze nieuwe aanpak bekendmaakt, is het zaak te kijken of de verhouding tussen meer objectieve gegevens en artistieke kwaliteiten in balans is. De onmeetbare kwaliteiten die cultuur ook heeft, moeten niet weggecijferd worden.

Met name de positie van relatief kleine presentatie-instellingen voor beeldende kunst, waarvan er zes onderdeel uitmaken van de basisinfrastructuur (zoals de Appel in Amsterdam), is kwetsbaar. Daarin kan nieuw beeldend talent tot wasdom komen. Ze trekken niet direct grote stromen bezoekers. Maar een vitale functie in de Nederlandse cultuur vervullen dergelijke instellingen wel.