Antiglobalisten en gisse klokkenluiders

Haim Bodek in ‘Tegenlicht’ (VPRO).

Het leek er in de herfst van 2011 even op dat de Occupybeweging echte invloed zou gaan uitoefenen op het denken over ongelijkheid, ook in Nederland. Het imago van de financiële instellingen leek een absoluut dieptepunt te hebben bereikt en de Arabische revoluties deden de geopolitieke verhouding wankelen.

Eerlijk gezegd is daar weinig van terechtgekomen en was ik dat tentenkamp op het Beursplein al bijna vergeten. Een van de weinige tastbare overblijfselen is de documentaire Don't Shoot the Messenger, gisteren uitgezonden door de NCRV-rubriek Dokument.

Daarin stelt een van de Amsterdamse kampeerders, kunstenares Elke, dat ze al snel doorhad dat de Occupybeweging een taal sprak die de mensen niet begrepen. Dat geldt ook een beetje voor de documentaire, gemaakt door een collectief van zeven professionele filmmakers. Ook die keuze blijkt te leiden tot een weinig eloquente kakofonie, met steeds terugkerende splitscreenbeelden als voornaamste stijlkenmerk.

De Occupy-activisten kampten met vele hindernissen: het is niet eenvoudig discussiëren als elke zin in koor herhaald moet worden. In een grote stad trek je met tenten per definitie daklozen aan, die tegen het eind de helft van de bevolking uitmaakten. Maar de meest verrassende tegenstand ondervonden ze van nachtelijke bezoekers: studenten, ondernemers, fans van het kapitalisme, steevast beschonken. In het beste geval bleef het bij verwensingen tegen die stinkhippies, die op hun belastinggeld zouden teren.

Een jaar later is Elke zwanger en zegt dat het haar niet erg kan schelen welke politieke denkbeelden het kind later zal aanhangen.

Marije Meerman, dochter van anti-autoritaire ouders in de jaren 70, dus uit de vorige golf van idealisme, maakte nu een aflevering van Tegenlicht (VPRO), die de ideale aanvulling vormde op de Occupy-film. De Wall Streetcode is het slot van een drieluik over flitshandel in aandelen en laat de whiz kids aan het woord die de algoritmen bedachten waarmee beurshandelaren institutionele beleggers te slim af zijn. Dat „domme geld” wordt onmiddellijk afgeroomd door slimme jongens, die kroongetuige Haim Bodek vergelijkt met zwarthandelaren in kaartjes voor een concert van zijn lievelingsband Metallica.

De blik van binnenuit en vasthoudende journalistieke research rijmen op de aanpak van Joris Luyendijk in zijn weblog over de Londense City. Maar wat Tegenlicht vooral gunstig onderscheidt van de Occupy-film is de zorgvuldige vormgeving, zowel in montage als cameravoering. We worden meegetrokken in het breinlabyrint van superintelligente jongens, die bijna nog meer kicken op hun eigen slimheid dan op de miljoenen die ze er mee kunnen verdienen. Bodek, de aanstichter van het verzet tegen het elektronisch voordringen op de beursvloer, is zelf een kind van hippiewetenschappers. Intussen zijn de banken nog verder in aanzien gedaald en hebben de hervormers van het systeem beter uitzicht op een alternatief dan de antiglobalisten.