Achtergrond Kunsttentoonstelling van de nazi’s als propaganda

Goebbels stelde in opdracht van Hitler een reizende tentoonstelling samen van ‘ontaarde kunst’ om zo Duitsers te laten zien hoe de Joodse of anderszins geperverteerde kunstenaars de Duitse ziel probeerden te vergiftigen. Foto Reuters

Hitler had een enorme hekel aan kubisten, expressionisten en eigenlijk aan alle kunstenaars die de gelijkenis met de werkelijkheid niet als doel stelden. „Ontaarde kunst” noemde hij het: „Entartete Kunst!

Op 29 juni 1937 gaf Hitler, die zelf enige jaren leefde van de verkoop van door hem geschilderde stadsgezichten, zijn minister voor propaganda Joseph Goebbels de opdracht om een tentoonstelling van deze kunst samen te stellen. Het zou een reizende expositie worden, om zo Duitsers overal in het Derde Rijk te laten zien hoe de Joodse, bolsjewistische of anderszins geperverteerde kunstenaars de Duitse ziel probeerden te vergiftigen. Hoe zij het raciale bewustzijn wilden verzwakken, de militaire weerbaarheid en de morele kracht van het Duitse volk.

Goebbels jubelde een dag na Hitlers opdracht in zijn dagboek. Dit gaf hem de volmacht om alle werken van de grote meesters van de moderne kunst uit Duitse musea te halen en centraal op te slaan.

Uiteindelijk namen de nazi’s meer dan 20.000 werken in beslag, van ongeveer 1.400 kunstenaars. Drie jaar geleden heeft de Freie Universität in Berlijn die 20.000 vastgelegd in een unieke databank voor Entartete Kunst, die online is te raadplegen. De vraag is nu hoeveel van de 1.500 werken uit het appartement in München tot die 20.000 bestaan.

Dat hoeven er helemaal niet veel te zijn, omdat de Duitsers na de inbeslagname nog jarenlang geroofd hebben onder de Joden in bezette landen. Ook kunst die zij als ontaard beschouwden. Hoe het is afgelopen met die kunst, is slechts ten dele bekend.

De tentoonstelling in 1937 werd overigens een enorm succes. Het werd de best bezochte reizende tentoonstelling van die tijd.

Volgens de Duitse pers uit die dagen kwamen mensen om te lachen en te wenen om zoveel lelijks, maar uit getuigenverslagen blijkt dat menige bezoeker de kans te baat nam de werken van de meest vernieuwende kunstenaars van zijn tijd nog eens in het echt te kunnen bekijken. De liefhebber moest wel de afkeurende, badinerende en nationaal-socialistische propaganda voor lief nemen die op de tekstbordjes bij de werken stond.

Veel van de werken uit de tentoonstelling werden 30 juni 1939 in het Zwitserse Luzern geveild, voor prijzen ver beneden de marktwaarde – Picasso’s wereldberoemde Le déjeuner sur l’herbe ging weg voor 36.000 Zwitserse frank, in plaats van de 70.000 Zwitserse frank die de eigenaar ervoor had betaald. Wat overbleef werd later dat jaar in brand gestoken, in Berlijn.