Column

Wat hebben we over voor de geesteswetenschappen?

Het aantal universitaire studenten is de afgelopen decennia flink gegroeid. Leuk voor een land dat graag een kenniseconomie wil zijn. Maar een groot deel van die groeiende groep studenten komt niet terecht bij bètastudies, maar bij de geesteswetenschappen. Dit zijn over het algemeen niet de opleidingen die veel geld opleveren. Wat moet de samenleving met al die afgestudeerde alfa’s?

De Groene Amsterdammer bracht afgelopen week een themanummer uit over de geesteswetenschappen. 103 alfawetenschappers hadden antwoord gegeven op de vraag wat het belang is van de humaniora. ‘Distantie, reflectie en het hoeden van de cultuur’ vormen volgens hen de harde kern van de alfastudies.

En, hoe gaat het met het aanleren van deze vaardigheden? Hoogleraar sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht Maarten Prak vertelt trots dat er geen land is met zo veel top-200-universiteiten per hoofd van de bevolking. Hoogleraar mediastudies José van Dijck voegt daaraan toe dat de geesteswetenschappen in alle rankings hoger staan dan de andere faculteiten.

Maar niet iedereen deelt deze jubelende observatie. Deze week verscheen ook een paper van Science in transition, een verbond van vijf bezorgde wetenschappers. Zij maken zich onder andere druk over de kwaliteit van het universitaire onderwijs. Met name in de geesteswetenschappen ligt de nadruk te veel op onderzoek, ten koste van onderwijs. De rol van de universiteit was volgens Science in transition van oudsher ‘de opleiding van deugdelijke leraren, artsen, advocaten, ambtenaren, intellectuelen en onderzoekers voor overheid en bedrijfsleven’. Door de publicatiedruk voor onderzoekers staat deze klassieke taak nu onder druk.

Ik heb geschiedenis gestudeerd en ik vond het bacheloronderwijs inderdaad niet voldoen aan het Bildungsidee dat Science in transition en het Groene-panel formuleren. Pas in de onderzoeksmaster kreeg ik het onderwijs dat zij beschrijven als het geesteswetenschappelijke ideaal. De groep was kleiner, de begeleiding intensiever, het niveau hoger. Ik vroeg me toen al af waarom alleen potentiële promovendi dit soort onderwijs verdienen. Volgens Science in transition kunnen we niet langer afwachten. De kwaliteit van het (geesteswetenschappelijke) onderwijs moet omhoog, en wel nu. De paper noemt drie opties: een hogere rijksbijdrage, hoger collegegeld of het instellen van een numerus fixus.

Ik ben benieuwd wat er met dit advies gaat gebeuren. De laatste twee opties zijn niet aantrekkelijk voor universiteiten: een hoger collegegeld en een numerus fixus kosten studenten en dus geld. Een rapport over de geesteswetenschappen uit 2009 pleitte voor de eerste optie: meer geld van de overheid, te investeren. Het kabinet stelde hierop jaarlijks 15 miljoen beschikbaar – gekrabbel in de marge. Het is tijd dat de politiek nadenkt over de vraag van De Groene: wat is het belang van de geesteswetenschappen? En wat hebben we daarvoor over?