Verborgen schat aan roofkunst

1.500 verloren gewaande werken van kunstenaars als Matisse, Beckmann en Picasso zijn gevonden in een appartement in München-Schwabing. Een deel is ooit als ‘ontaard’ in beslag genomen door de nazi’s.

Schilderij van Franz Marc, titel onbekend. Behoort tot de gevonden kunstschat in het zwaar vervuilde appartement in München

Tussen rottend eten en halflege dozen sinaasappelsap heeft de Duitse douanepolitie zo’n 1.500 kunstwerken gevonden, in een appartement in München-Schwabing. Talloze van de werken zijn van grote meesters van het expressionisme, kubisme en impressionisme, ofwel: kunst die door de nazi’s als ‘ontaard’ werd beschouwd, van kunstenaars als Matisse, Beckmann, Chagall, Dix, Nolde, Picasso, Klee en Kokoschka.

De werken waren sinds 1945 kwijt of verloren gewaand. De ontdekking stamt al uit het voorjaar van 2011, maar werd pas dit weekeinde door het Duitse weekblad Focus onthuld. Officieel is de vondst nog niet bevestigd.

De politie kwam de werken op het spoor nadat een oudere, grijze man in de trein van Zürich naar München 9.000 euro in contanten bij zich bleek te hebben. Dat is toegestaan. Toch was het reden voor de politie de man langer te volgen, wat uiteindelijk resulteerde in de vondst van deze enorme kunstschat, waarvan de totale waarde in de honderden miljoenen euro’s loopt.

De man heet Cornelius Gurlitt, is tachtig jaar en zoon van Hildebrand Gurlitt. Vader was voor de oorlog een bekende kunsthandelaar die zijn baan als museumdirecteur, in Hamburg, verloor omdat zijn grootmoeder joods was. Maar tijdens de oorlogsjaren vroegen de nazi’s hem wel om ‘ontaarde’ werken te verkopen in het buitenland.

De verboden ‘ontaarde’ kunst was eind jaren dertig in beslaggenomen bij tal van Duitse musea. In totaal ging het om zo’n 20.000 werken. Vanaf 1937 konden Duitsers een deel daarvan nog zien op een rondreizende expositie, die Hitler had laten organiseren om de Duitsers te laten hoe de joodse, bolsjewistische of anders geperverteerde kunstenaars de Duitse ziel hadden proberen te vergiftigen.

Daarnaast handelde Hildebrand Gurlitt in kunst die hij van vervolgde Joodse verzamelaars gekocht, voor lage prijzen. Hij was ook actief in Frankrijk als inkoper voor Hitlers geplande Führer Museum in Linz, waar hij op veiligen grote bedragen te besteden had.

Na de oorlog zagen Amerikanen in hem een slachtoffer van het naziregime. Hij vertelde talloze joden te hebben geholpen het land te verlaten. Ook verklaarde hij, net als zijn weduwe, dat zijn kunstcollectie in vlammen was opgegaan, op 13 februari 1945, tijdens het bombardement op Dresden. In 1956 kwam hij bij een verkeersongeluk om het leven.

Zoon Cornelius verkocht af en toe een werk uit de collectie, op veilingen en bij galeries in Duitsland en Zwitserland. Dat is opvallend, omdat honderden werken op officiële lijsten van gezochte kunstwerken staan. Nog na de inval door de politie heeft Gurlitt een groot schilderij van Max Beckmann, De leeuwentemmer, laten veilen, bij Lempertz in Keulen. Het was in zeer slechte staat. Na restauratie bracht het 864.000 euro op. Het veilinghuis meldde netjes dat het werk vanaf 1934 tot de collectie van Gurlitt behoorde. Maar de verkoop wijst erop dat Gurlitt mogelijk buiten zijn appartement nog meer kunst heeft opgeslagen.

Gurlitt schijnt de inbeslagname lijdzaam te hebben ondergaan; hij trok zich terug in een verduisterde slaapkamer en zou tegen de politie hebben gezegd dat ze zich de moeite hadden kunnen besparen. De kunst zouden ze „binnenkort” toch hebben gevonden: hij is immers oud en heeft geen kinderen.

Om welke werken het precies gaat, is nog onbekend. Op één schilderij na, van Franz Marc. Ook meldt Focus dat er een schilderij van Matisse onder de 1500 is, waar de Franse journaliste Anne Sinclair al jaren naar zoekt. De ex-vrouw van de voormalige directeur van het IMF, Dominique Strauss-Kahn strijd al jaren om teruggave van werken die de nazi’s van haar grootvader, de joodse kunsthandelaar Paul Rosenberg, hebben geroofd.