Vanuit de wildernis

Wees niet te zeer rechtvaardig, zegt de Prediker. Wees niet te legalistisch, zouden de juristen zeggen. Houd niet star vast aan regels. Soms kan het geen kwaad een wandeling aan de wilde kant te maken. In dat deel van het menselijk leven waar je ziel over de randen van de maatschappij heen klotst. Door de innerlijke jungles waar recht en politiek niets te zoeken hebben.

Dat ik de wildernis werd binnengesleurd, kwam doordat ik een paar dagen in Madrid was. Op reis om afstand te nemen van een juridische tekst waarin ik vastdraaide. En omdat je in Madrid altijd kans loopt een heilige te ontmoeten, de heilige Nicolaas bijvoorbeeld, had ik de Bijbel meegenomen ter referentie. Meteen de eerste avond viel het boek open bij de Prediker, precies op de pagina waar die zegt dat je niet al te rechtvaardig moet zijn.

Dartel liep ik het hotel uit en ik zwierde het plein op waar vluchtelingen vuurpijlen verkochten aan vermoeide toeristen. Vrouwen van middelbare leeftijd probeerden mijn zakken te rollen. Een saxofonist speelde Les feuilles mortes in die lichtzinnige EO-versie met al die overbodige arpeggio’s die de Here een gruwel zijn. Ik kon het oordeel zo gauw niet vinden in de Bijbel, maar ik wist zeker dat God er heel duidelijk over is. En toen viel de Bijbel weer open op dezelfde plek. ‘Gedraag u niet al te wijs’, stond er.

Net als de Prediker ben ik een groot voorstander van verruwing in de samenleving. Of misschien niet in de samenleving, want daar houden wij allebei wel graag vast aan een aantal regels, hij en ik. ‘Wees niet te zeer goddeloos en wees geen dwaas’. Maar we geloven niet dat je het leven volledig kunt controleren met menselijke ingrepen. Er is meer tussen hemel en aarde dan waarvan je in je filosofie kunt dromen, zegt de Prediker. Of misschien was het Shakespeare. Hoe dan ook heeft hij gelijk.

Er zijn mazen in de maatschappij. Loopholes in de beleidsdossiers waar je doorheen kunt glippen om met leven te beginnen. Vrije plekken. Niet iedereen is daarvan gediend, niet iedereen weet zelfs van hun bestaan. In maatschappelijke gesprekken duikt de misvatting steeds weer op dat ieder mens volledig is onderworpen aan de staat. Dat de staat niet alleen met mensen te maken heeft voor zover ze burger zijn, maar ze totaal beheerst, tot in alle uithoeken van hun geest. Totalitarisme heet dat, en de meeste burgers zijn er vrijwillig voorstander van.

Als overheden je vingerafdrukken en je DNA opslaan, drones op je afsturen, je mail lezen en je autoritten volgen, keert altijd weer het argument terug dat dit bevrijdend werkt. Die bevrijding, leggen de burgers uit, komt tot stand doordat andere burgers – verkeerde, onaangepaste, slechte burgers – in hun vrijheid worden beknot. De staat bevrijdt de goeden door de kwaden te ketenen. Wie dan de goeden zijn en wie de kwaden? Dat spreekt vanzelf.

Je kunt ook iets minder schaapachtig door het leven gaan. Dan doe je er verstandig aan net als de Prediker onderscheid te blijven maken tussen de verschillende sferen in ons bestaan en het heelal. Dat je niet al te rechtvaardig moet zijn, is nog geen reden om dwaas te zijn. Onderwerp je jezelf niet volledig aan staat en recht, dan kun je nog wel rekening houden met maatschappij en cultuur. Vervolgens moet je jezelf ook niet met huid en haar overgeven aan de gemeenschap, want je hebt zoiets als een private sfeer, al wordt die vaak vergeten. En uiteindelijk is er dus die vrijheid die zich aan ieder ordenend denken onttrekt. In dit wilde en ruwe gebied heerst de vreze Gods.

Met mijn juridische tekst was ik zo niet veel verder gekomen, maar het kon me niet schelen, want ik zwierde rond in Madrid aan de hand van de Prediker. ‘Ik zie geen enkele zin meer in al mijn harde werken en tobben onder de zon’, zei hij, en ik viel hem bij. Pierewaaiend langs parken en pleinen belandde ik in het Nationaal Museum. Een tentoonstelling van surrealistische kunst leverde beelden van een alternatief universum, waar alles mogelijk is, en waar de regels die wij kennen niet gelden.

Geen libertijnse plek was het, maar een wildernis vol angsten en turbulenties. De nacht viel en er was geen rede. De wind stak op en monsters dreigden. We zijn aangespoelde vluchtelingen in het heelal en er zijn geen regels die ons beschermen tegen de ander, dacht ik. Wees daarom niet al te rechtvaardig, want de hoeken van het heelal onttrekken zich aan je verstand.

Even later zat ik met de Prediker op de stoep van het museum. Er is geen touw aan vast te knopen, zuchtte hij. Aan de andere kant is het wel prettig hier in de zon. Ik knikte. We zaten er inderdaad prettig. En het leek me zinvol dat dan maar eens op te schrijven.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.