Tijd voor trage politiek

Het Binnenhof is bevangen door gejaagdheid, waaronder de zorgvuldigheid lijdt. Daar komen ongelukken van, betoogt Marcel ten Hooven.

Illustratie Merlijn Draisma

Het Binnenhof is in zichzelf gekeerd. Dat komt volgens Herman Tjeenk Willink, staatsrechtelijk beschouwer bij uitstek, doordat het politieke systeem te weinig reflecteert op het eigen functioneren. In de cocon van dit systeem wordt dezelfde taal gesproken en langs dezelfde lijnen gedacht, zei de oud-vicepresident van de Raad van State donderdagavond in de Bart Tromplezing. Het dreigende gevolg is dat de politiek haar legitimatie bij de burgers verliest. Anders geen man van grote woorden, nam hij zelfs het woord ‘crisis’ in de mond.

Hij waarschuwt daar terecht voor. Het Nederlandse bestel kraakt in zijn voegen, nu het traditionele midden niet meer de stabiele factor van weleer is. De stabiliteit moet nu telkens geïmproviseerd tot stand komen, zoals met het Herfstakkoord van de coalitie met de oppositiefracties van D66, ChristenUnie en SGP. Op deze smalle basis kan Rutte II een jaar na zijn aantreden dan daadwerkelijk gaan regeren, voorlopig.

Hoe moeizaam ook, het bestel wérkt dus nog wel. Niettemin heeft Tjeenk Willink gelijk met zijn crisisalarm. Juist nu het politieke systeem is gedwongen tot improvisatie moet het zorgvuldig naar zichzelf kijken. Anders blijven reële problemen in het democratische proces buiten het blikveld van politici, of zien ze juist beren op de weg waar ze niet zijn.

Soms is het beter even na te denken

Een kras staaltje van dat laatste is de oproep van de VVD-fractievoorzitter in de Eerste Kamer, Loek Hermans, tot bezinning op de rol van de senaat. Aanleiding voor zijn pleidooi is het veelgehoorde verwijt aan de Eerste Kamer dat zij een te grote broek aantrekt. Zij zou het ontbreken van een senaatsmeerderheid voor Rutte II ‘te politiek’ uitbuiten. Dat verwijt trof haar omdat geen enkele oppositiefractie in de Eerste Kamer op voorhand bereid bleek met VVD en PvdA mee te stemmen om de regeringscoalitie aan een meerderheid te helpen.

Dat is de wereld op z’n kop. De senatoren deden niet meer dan vasthouden aan de gewoonte om de geestverwanten in de Tweede Kamer in het stemgedrag te volgen. Zelden of nooit wijkt een Eerste Kamerlid af van het ‘ja’ of ‘nee’ dat zijn partijgenoot aan de overkant eerder over een wet uitsprak. Dat is een kwestie van respect voor verhoudingen. Met haar terughoudendheid erkent de Eerste Kamer, gekozen door de provinciale staten, het primaat van de rechtstreeks gekozen Tweede.

Het zou juist politisering zijn om van senatoren te verlangen de wil van de volksvertegenwoordigers met een direct kiezersmandaat te overstemmen, alleen om het kabinet overeind te houden. Hun stemgedrag zou dan een louter politiek, geen inhoudelijk motief hebben, wat in strijd is met de functie van Chambre de réflexion die de senaat bekleedt.

Dit gebrek aan precisie in de duiding van de politieke toestand is een fenomeen van de crisis dat Tjeenk Willink signaleert. Het Binnenhof is bevangen door gejaagdheid, waaronder de zorgvuldigheid lijdt. Een politicus kan zich niet meer veroorloven te zeggen dat het soms beter is over een probleem even na te denken dan onmiddellijk in te grijpen. Het politieke jargon is daardoor diep gevuld met woorden als ‘harde aanpak’ en ‘ingrijpende maatregelen’. Een recent voorbeeld is hoe staatssecretaris Teeven nalaat beargumenteerd te reageren op de kritiek van de Raad van Europa dat hij in strijd met de mensenrechten handelt door illegalen het recht op voeding, onderdak en kleding te ontzeggen. Teeven beperkt zijn commentaar tot: „Ik ben niet van plan in de houding te springen.”

Wilders verdraagt geen complexiteit

Wellicht de voornaamste oorzaak van al dat quasi daadkrachtige vertoon en het gebrek aan reflectie is de sluipende invloed die het populisme op de onzekere oude orde uitoefent. PVV-leider Geert Wilders gaat vol in de aanval tegen de complexiteit van de maatschappij en de bijbehorende, trage politiek. Hij spreekt daar smalend over als een vorm van nodeloos moeilijk doen, of als een samenzwering van de elite. Daarom is Wilders’ doelwit in potentie elke institutie die afstand houdt tot de waan van de dag, zoals de Raad van State, de monarchie en de Eerste Kamer.

Zijn aanval op de oude orde is niet zonder effect. Het Binnenhof geeft allengs toe aan de druk om alles wat vertraagt naar de marge te duwen. De Raad van State krijgt niet zelden nul op het rekest met zijn wetgevingsadviezen. Het koningshuis is als bemiddelende factor boven de partijen uit het formatieproces verdreven. De Eerste Kamer staat ter discussie omdat zij een daadkrachtig optreden van Rutte II in de weg zou staan.

Door ‘de implosie van de tijdsfactor’ (Tjeenk Willink) in de politiek worden de vaste momenten van rust en overdenking die in het bestel zijn ingebouwd steeds minder benut. Zo is de dreigende onregeerbaarheid waarmee het kabinet langdurig kampte toe te schrijven aan de haastige spoed van VVD en PvdA in de kabinetsformatie. Normaal is een formatie zo’n moment waarin de politiek noodgedwongen in de vertraging gaat, om de nieuwe verhoudingen te laten uitkristalliseren. Daarmee is het ook een natuurlijk moment van reflectie. In hun haast lieten VVD en PvdA nu die mogelijkheid onbenut en stevenden ze recht op hun doel af. Dat kwam óók doordat een informateur benoemd door de koningin ontbrak. Aan de formatietafel zat nu niemand die afstandelijk, objectiverend opereerde, bijvoorbeeld door de vraag te stellen of het wel verstandig was zonder senaatsmeerderheid aan de slag te gaan. Nu heeft het een jaar geduurd voor het antwoord op die vraag in volle omvang tot het kabinet doordrong.