Nederlandse militairen naar Mali, in het belang van Europa

Na Afghanistan wordt het Afrikaanse Mali de komende jaren het nieuwe trefwoord voor de Nederlandse krijgsmacht. Met het kabinetsbesluit van afgelopen vrijdag om 368 militairen en 10 politieagenten ter beschikking te stellen aan de stabilisatiemissie MINUSMA van de Verenigde Naties, neemt Nederland de internationale verantwoordelijkheid die het zichzelf in artikel 90 van de Grondwet heeft opgelegd. Daarin staat dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert.

Van hieruit bezien valt er dan ook weinig aan te merken op het voornemen van het kabinet. Nederland staat achter de resolutie die op 25 april van dit jaar unaniem door de Veiligheidsraad werd aanvaard, waarmee de vredesmacht werd opgericht. Deze steun krijgt nu een praktische invulling met een qua omvang relatief zeer substantiële bijdrage.

Nederland zal binnen de VN-missie de grootste westerse contribuant worden. Afgezet tegen de totale Europese inspanningen in Mali bevindt Nederland zich achter Frankrijk – dat eerder dit jaar een eigen interventiemacht stuurde en in totaal 2.360 man in het land heeft zitten – en voor Duitsland dat ook actief is in de EU-trainingsmissie en straks 330 manschappen gelegerd zal hebben.

De omvang van contingent Nederlanders dat actief wordt in Mali, heeft te maken met de aard van de werkzaamheden. Deze zullen hoofdzakelijk bestaan uit het vergaren van inlichtingen ten behoeve van de VN-missie; een „militaire niche” zoals het kabinet het zelf noemt. Maar het is daarmee tevens een riskante niche.

Een speciale verkenningseenheid van ongeveer negentig militairen zal door middel van lange afstandspatrouilles letterlijk voor de troepen uitlopen in het door islamitische strijders gedomineerde noorden van Mali. De taak van de Nederlanders is „het ontmantelen van verdekte wapen- en logistieke opslagplaatsen en het aanhouden van opponenten”, zoals het in de brief van het kabinet aan de Tweede Kamer enigszins eufemistisch wordt gesteld. Ongetwijfeld komt hier de ervaring van pas die Nederlandse militairen sinds 2006 opdoen bij het door de Verenigde Staten geleide Flintlock-project, waarbij in de Sahelregio getraind wordt in antiterrorismeacties.

De Nederlanders zullen in belangrijke mate zelfstandig opereren en ook zichzelf moeten beschermen. Er kan volgens het kabinet een beroep worden gedaan op troepen van de VN-macht en in het uiterste geval ook op de aparte Franse eenheden. Maar getuige de pijnlijke ervaringen in het verleden (het uitblijven van luchtsteun toen in juli 1995 de door Nederland beschermde Bosnische enclave Srebrenica onder de voet gelopen dreigde te worden) kunnen de afspraken hierover niet duidelijk genoeg zijn.

De Nederlandse bijdrage duurt tot eind 2015, maar door de toevoeging van de woorden „in beginsel” preludeert het kabinet nu al op verlenging, gebaseerd op een halverwege dat jaar op te stellen evaluatie. Het specifieke doel van de Nederlandse bijdrage is om met een „integrale bijdrage aan de inlichtingencapaciteit” de VN-missie op de rails te krijgen. Dat is goed te toetsen. Maar ook na de eerste fase is informatie cruciaal. En dan is juist ervaring van nut. Bovendien, hoe riskant het noemen van einddata is heeft het binnenlands politieke drama Uruzgan geleerd.

Nederland gaat naar het hemelsbreed ruim 5.000 kilometer verder weg gelegen opstandige gebied in Mali. In de huidige tijd is dat de achtertuin van Europa. Ziehier het eigen belang voor Europa en dus voor Nederland bij een stabiele regio. Dit 1-novemberbesluit van het kabinet is dan ook een terecht besluit.