Klas overslaan goed voor slim kind

‘Overheid geeft weer om excellentie, vanwege de kenniseconomie, niet om kinderen te helpen’

Illustratie Thinkstock

„Stel je eens voor”, zegt Nicholas Colangelo tegen 300 mensen in de congreszaal, „dat ik jullie hier nog eens 182 ochtenden uitnodigde en alleen maar dingen zou vertellen die je al weet. Hoe zou de 57ste ochtend er uitzien? Sommigen zouden alleen maar niet opletten. Anderen zouden heel lastig worden, problemen gaan veroorzaken. Dat is de realiteit voor begaafde kinderen. Dáárom laten we ze sneller de school doorlopen.”

Colangelo, decaan van het College of Education aan de universiteit van Iowa, is gespecialiseerd in onderzoek naar onderwijsversnelling voor slimme kinderen – eerder naar school of universiteit, klassen overslaan, lessen in hogere klassen bijwonen. Vrijdag was hij de belangrijkste spreker op een congres in Nijmegen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek (CBO) van de Radboud Universiteit. En begin volgend jaar viert hij zelf een jubileum: tien jaar geleden kwam zijn boek A Nation Deceived kwam. Ondertitel: ‘hoe scholen de slimste leerlingen van Amerika tegenhouden’. In dat boek verzamelde hij het onderzoek dat aantoont dat onderwijsversnelling goed is voor intelligente kinderen. Maar veel scholen en beleidsmakers, zegt hij, willen er toch niet aan. Nog steeds niet. Niet voor niets biedt hij het boek gratis aan op internet, in tien talen.

„Veel mensen denken: als je kinderen uit hun leeftijdsgroep haalt, gaat het mis”, vertelt hij. Maar uit het meeste onderzoek, zegt hij, blijkt dat slimme kinderen het dan niet moeilijker krijgen met relaties en zichzelf. En hun prestaties verbeteren er vrijwel altijd door: ze zijn beter dan hun (oudere) klasgenootjes, krijgen goede banen en hebben er als volwassenen geen spijt van. Leraren en beleidsmakers weten dat vaak niet – en veel hoogleraren zijn ‘progressief’, zegt Colangelo. „Die vinden beleid voor hoogbegaafde kinderen dus elitair en snobistisch. Wij moeten laten zien dat deze kinderen niets extra’s krijgen, maar dat ze krijgen wat ze verdienen, waar ze klaar voor zijn.”

In Nederland is toch wel voldoende aandacht en begeleiding voor hoogbegaafde kinderen? Lianne Hoogeveen, hoofd van het CBO, kijkt moeilijk. Het is beter dan 25 jaar geleden, geeft ze toe. „Tegenwoordig vraagt de onderwijsinspectie aan elke school wat ze doen met slimme kinderen. Maar veel mensen vinden het een luxeprobleem.” Ze ziet ook veel weerstand tegen onderwijsversnelling, bij ouders én leraren. „We komen nog heel veel scholen tegen waar ze zeggen: ‘dat doen wij niet, dat is zó slecht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling, dat zie je toch gewoon!’”

Die onwetendheid is ook niet zo raar, beseft ze. Het CBO geeft jaarlijks 40 à 50 leraren in het primair en voortgezet onderwijs een extra opleiding omgaan met hoogbegaafde kinderen, terwijl Nederland ruim 200.000 fte’s aan docenten in primair en voortgezet onderwijs heeft. Dan komt het dus goed uit dat de overheid tegenwoordig veel aandacht heeft voor excellentie in het onderwijs? Hoogeveen aarzelt. „Ja, maar daarbij is het uitgangspunt niet de leerling, maar Nederland als kenniseconomie.” En bovendien, zegt Hoogeveen. „Soms hebben leerkrachten 36 leerlingen en wordt hun gevraagd om allerlei groepen apart aandacht te geven. Dan kiezen ze vaak toch voor de ‘écht zielige kinderen’ met leermoeilijkheden. Ze denken: met de slimmeriken komt het wel goed.” En, is dat zo? „Bij de adviespraktijk van het CBO zien we het als het niet goed gaat. Kinderen die apathisch worden, depressief, erg aan zichzelf gaan twijfelen. Iedereen heeft het verder toch leuk op school, wat is er mis met hen?”

De ouders zitten er dan soms wat bedeesd bij, vertelt Hoogeveen. In tegenstelling tot het stereotiepe beeld van de assertieve ouder die roept dat zijn of haar lastige kind gewoon hoogbegaafd is. „Ouders van echt hoogbegaafde kinderen zeggen vaak tegen mij dat ze niet zo’n ouder willen zijn. Hoogeveen zucht. „Dat dat beeld bestaat, vind ik een teken dat hoogbegaafdheid nog in de taboesfeer zit.”