Doofpot

De herdenking van de moord op Theo van Gogh in het Amsterdamse Oosterpark trok zeventien belangstellenden, de jogger die door het beeld rende meegeteld. Negen jaar was hij nu dood, de martelaar, zowat een decennium. Sindsdien bloeit de vrije meningsuiting volop, maar het boeide de Amsterdammers kennelijk niets, zelfs de pers liet inmiddels verstek gaan.

In het drassige gras aan de voet van monument De Schreeuw lagen uitgewaaide waxinelichtjes, een paars lantaarntje, een ansichtkaart met zonnebloem, een niet lijkend portretschilderij van Theo met de tekst „Goatfuckers!

Verder: een reclamebord voor het boek Doodlopende wegWaarom de Nederlandse geheime dienst hun top geheim agent Theo van Gogh vermoord heeft.

Er waren relatief veel Rotterdammers aanwezig. Als eerste sprak Jennifer Vetter van Stichting Beeld van Pim, een lange, blonde vrouw in een T-shirt met foto van Theo, en in een boogje de woorden: „PASSIE VOOR HET VRIJE WOORD”. Ze las een gedichtje voor van Toon Hermans:

Dacht je dat al het grootse leven,

Dat hier op aarde heeft geleefd,

Ineens totaal is afgeschreven,

Ineens geen enkel nut meer heeft?

Het versje eindigde met de boodschap dat mensen na hun dood wel degelijk voortleven.

Dick van Sluis, voorzitter van Leefbaar Rotterdam, sprak. Hij stond in Theo’s traditie, zei hij. „Ik laat me niet de mond snoeren.”

Daarna sprak Hans van Tamelen, bijnaam Jack Terrible, de maker van het portretschilderij. Hij droeg een ‘song’ voor, met als refrein:

Theo van Gogh werd om het leven gebracht door een

godsdienstwaanzinnige.

Er lopen daar zo’n beetje één miljard van rond op

aarde!

Na elk refrein sloeg hij aritmisch op een tamboerijn.

Tot slot stapte een oudere heer naar voren, hij droeg een jagershoedje met een duivenveer, uit zijn rechterjaszak stak een flesje sportdrank. Hij was de uitgever van het boek Doodlopende weg en las een fragment voor van enkele velletjes. De moord bleek een actie van de Nederlandse geheime dienst, die perfect in de doofpot was gestopt. „Althans, tot nu toe”, zei de uitgever, en keek even op.

Toen hij vervolgde, scheurde een tram de zinnen aan flarden. „… Multi-miljoenen plutoniumtransactie… Muzelmannen… Lubbers… Kut spekjood…”

Een man in een zwart leren jack filmde alles met een Panasonic-handcamera. Een man in een scootmobiel, die net nog een shagje had gerold, leek in te dommelen. Toen de spreker klaar was, vroeg hij of het goed was als hij nu de Engelse versie voorlas, „voor YouTube”.

Maar het leek Jennifer van de organisatie beter nu eerst de plechtigheid af te ronden. Ze bedankte de aanwezigen en bevestigde toen met plakband een in cellofaan verpakt minicactusje aan het stalen monument. Volgend jaar, vertelde ze, hoopte ze een tegel te plaatsen op de plek waar Theo was vermoord; daar was nu helemaal niets.

Ieder ging zijns weegs, behalve de uitgever, die begonnen was met lezen uit de Engelse versie. „According to the Dutch secret service… the queen Beatrix… In café Danzig…”.

Vroeg of laat eindigt elk leven in de doofpot, dacht ik, zelfs het meest grootse.

Arjen van Veelen (a.v.veelen@nrc.nl) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Margriet Oostveen (m.oostveen@nrc.nl).