Vegetariërs dilemma

Psychologie

Ellen de Bruin Sommige mensen houden zoveel van dieren dat ze die niet willen eten. Maar wat schotel je de poes dan voor?

Sommige mensen zijn dol op dieren. Zó dol, dat ze ze liever niet opeten. Het idee dat je dieren doodmaakt en hun vlees opeet, vinden ze wreed. En omdat ze zo dol zijn op dieren, leven ze er ook graag mee samen. Met honden of katten, bijvoorbeeld. Gezellig. Alleen: die eten van nature wél vlees. En ze zijn afhankelijk van hun baasje voor hun voedsel. Laat dat baasje zijn huisdier, zijn beste vriend, vlees eten?

Dat is in het kort het dilemma van de vegetariër. Althans, van de vegetariër die om morele redenen geen vlees eet. Er zijn ook mensen die zich gezonder voelen als ze geen vlees eten. Die hebben geen last van het vegetariërsdilemma; ze hebben trouwens ook minder vaak een kat of een hond. Ze hebben gewoon wat minder met dieren, suggereert onderzoek dat een Amerikaanse psycholoog eerder dit jaar publiceerde in het wetenschappelijke tijdschrift Appetite.

Het vegetariërsdilemma is het ergst voor de mensen die het meest van dieren houden. En er is geen perfecte oplossing. Je houdt van honden en katten – of niet. Je laat ze hun natuurlijke voedsel eten, namelijk andere dieren – of niet. Als je je huisdier vlees geeft, lijden die andere dieren en dan voel je je schuldig. Maar geen vlees geven is misschien niet goed voor hond of kat. Weinig vlees geven is nog steeds vlees. Geen huisdier nemen is ook droevig. Het onderzoek in Appetite, een enquête onder een paar honderd vegetariërs en veganisten – de modale respondent was een hoog opgeleide Amerikaanse vrouw met één of meer katten of honden in huis – bracht het vegetariërsdilemma en alle bijbehorende emoties en opties maar voor een deel in kaart.

Het is geen nieuw probleem, uiteraard. Vegetariërs en veganisten discussiëren er al jaren over. Academici ook. Psycholoog Hal Herzog publiceerde in 2010 het boek Some We Love, Some We Hate, Some We Eat, over de met ethische dilemma’s en paradoxen omgeven relatie tussen mens en dier. Mensen hebben in de loop der tijd steeds meer empathie gekregen voor dieren; daardoor is het moeilijker ze te doden. Als je de gedachten kunt lezen van het dier dat je wilt opeten, zei Herzog in 2010 in een interview in NRC Handelsblad, kun je het beter doden. „Maar als je het prooidier kunt begrijpen, krijg je er een band mee en dan voel je je misschien wel schuldig als je het doodt. Voor mij is dit het wezen van de erfzonde, dat je beseft dat het wezen dat je doodt en opeet een beetje op jou lijkt.”

Diezelfde Herzog schreef in 1991 al over het ethische dilemma van vlees geven aan je huisdier. Hij had toen een boa constrictor en iemand beschuldigde hem ervan dat hij het dier jonge poesjes te eten gaf. Was niet zo: hij gaf muizen, die hij doodmaakte voor hij ze aan de slang voerde. Liever, schrijft hij, had hij de optie gekozen die de meeste katteneigenaren kiezen: het doden aan iemand anders overlaten. En trouwens, poezen doden óók nog veel vogeltjes. En er worden jaarlijks veel katten afgemaakt. Zou het onethisch zijn, vraagt hij, als mensen die poezen aan hun slang zouden voeren? Is het niet onethischer om in plaats daarvan speciaal muizen te kweken als slangenvoer? Ongemakkelijk is het wel, de poes als slangenvoedsel.

Deze zomer ontmoette ik een vrouw, vegetariër en hondenfokker, die haar dieren geen fabrieksvoer geeft, omdat daar te weinig vlees in zit! Ze geeft ze slachtafval, voornamelijk biologisch. Haar vriezers lagen vol geitenkoppen. Ik vond het bewonderenswaardig. Een recept voor goed leven: altijd maar consequent zijn is onmogelijk, je kunt louter proberen zoveel mogelijk te doen wat je denkt dat het goede is.