Twitter is de nieuwe Uri Geller

Het Amerikaanse National Security Agency volgt alles wat mensen op Facebook, Twitter en Flickr plaatsen. Niet alleen om mee te kijken met bad guys, maar ook om volksopstanden te voorspellen, hopen ze.

Vlak na zijn aantreden in 1977 als president van de Verenigde Staten nodigde Jimmy Carter de Israëlische paragnost Uri Geller uit. Vier uur lang sprak de nieuwe president met de lepelbuiger over de helderzienden van de KGB, die Russische geheime dienst, die graag opschepte over haar team van paranormale voorspellers. Ook de CIA steunde onderzoek naar buitenzintuigelijke waarneming, aan de universiteit van Stanford. Carter maakte zich zorgen. Stel je voor dat de Russen iets wisten wat de Amerikanen niet wisten.

Dit wonderlijke mengsel van paranoia en onbevangenheid is kenmerkend voor onderzoek van Amerikaanse geheime diensten. ‘High risk, high pay off research’, noemen ze het zelf. De kans is groot dat er niks uitkomt. Maar als het iets oplevert, zijn de consequenties enorm. Het is het soort onderzoek waar onderzoekers niet graag hun reputatie voor op het spel zetten en dat ondernemers te onzeker vinden.

De interesse voor parapsychologie nam na de jaren zeventig af. Maar sinds kort is Twitter de nieuwe Uri Geller voor Amerikaanse geheim agenten.

Het begon in 2009 toen analisten van de CIA en de NSA naar beeldschermen met uitzendingen van Al Jazeera en lokale nieuwszenders tuurden om de Iraanse opstand te volgen. De demonstranten hielden behalve spandoeken ook telefoontjes in de lucht. Ze waren hun eigen reporters, met camera’s, tekstverwerkers en satellietschotels, samengebald in een smartphone. Twitteraars bleken veel beter op de hoogte dan de analisten van de geheime diensten. Door op Twitter #iranelection in te tikken was de revolutie overal ter wereld real time te volgen.

De NSA had de sociale media tot die tijd niet serieus genomen. De agenten van de veiligheidsdiensten dachten dat op Twitter alleen maar onzin stond: een wijsheid van schrijver Paolo Coelho. Iraanse activisten zouden bovendien wel gek zijn gebruik te maken van sociale media, daarmee zouden ze zichzelf blootgeven. Maar ze deden het wel.

De geheime diensten begonnen na de Iraanse opstand en de daarop volgende Arabische, dus het was een inhaalrace. Op de website van IARPA (zie kader) is te zien dat de onderzoekstak van het NSA sinds 2011 het grootste deel van haar aandacht richt op de data die Jan en alleman dagelijks op internet plaatsen. Deels om verdachte figuren en bevriende staatshoofden in de gaten te houden, maar ook om belangrijke gebeurtenissen te voorspellen. Daarvoor wordt de hulp van eminente wetenschappers ingeroepen.

Muziekmarkt

In 2006 publiceerde de Australische netwerkspecialist Duncan Watts (destijds verbonden aan het Santa Fé Institute en Columbia University, en nu in dienst van Microsoft) een artikel in Science over de onvoorspelbaarheid van de muziekmarkt. In een experiment kregen 14.341 jonge deelnemers 48 nog onbekende nummers om te beoordelen op een schaal van vijf sterren. Watts deelde de proefpersonen op in acht ‘verschillende werelden’. In de eerste wereld hadden de luisteraars geen contact met elkaar, in de andere werelden konden ze in oplopende mate zien hoe de anderen de muziek beoordeelden.

Hoe groter de sociale interactie, hoe onvoorspelbaarder welk liedje populair werd. Sociale processen zijn belangrijker voor succes dan de kwaliteit van een lied, ontdekte Watts. Daarnaast bleek bij grotere sociale interactie ook het verschil tussen populair en niet populair te groeien: het ‘winner takes all’-effect.

Dezelfde mechanismen werken bij uitbarstingen van geweld. Enkele cartoons in een Deense krant in 2005, waarin de spot werd gedreven met profeet Mohammed, hadden overal ter wereld rellen tot gevolg. Gruwelijke foto’s van marteling en vernedering van Irakese gevangenen in de Abu Ghraib gevangenis die in 2004 boven water kwamen niet. Het zijn ook hier sociale processen die een escalatie veroorzaken.

„Duncan Watts liet zien dat het heel moeilijk is om dit soort escalaties van tevoren te voorspellen”, zegt Richard Colbaugh van Sandel National Laboratories, een van de vele Amerikaanse instituten die onderzoek doen voor de geheime diensten. „Daarom focussen wij op de eerste dagen van een ‘event’. Door bijvoorbeeld te kijken naar de ‘buzz’ die ontstaat vlak na de aankondiging van een film.”

Samen met zijn collega Kristin Glass vond Colbaugh dat de manier waarop de ‘buzz’ zich door een gemeenschap verspreidt, voorspellende waarde heeft.

Colbaugh: „Als je ziet dat er na een gebeurtenis een discussie ontstaat in verschillende gemeenschappen, dan is het waarschijnlijk dat het zichzelf in stand houdt en is de kans groot dat het leidt tot iets groots. Dit is het opwindende voor ons. De mogelijkheid om via sociale media data te krijgen die echt voorspellend zijn.”

„Natuurlijk, iemand met een miljoen volgers zal eerder een cascade veroorzaken dan ik”, zegt Colbaugh. „Maar zelfs dan is de kans dat dit gebeurt nog steeds maar één op de tienduizend. Wat wij vonden is dat niet de microschaal van invloedrijke individuen belangrijk is, maar wel wat wij de mesoschaal noemen: nauw verbonden groepjes mensen.”

Interessant is om de gebeurtenissen na de publicatie van de Deense cartoons te vergelijken met de Regensburglezing waarin paus Benedictus zei: ‘Laat mij zien wat Mohammed voor nieuws heeft gebracht en je zult er slechts slechte en onmenselijke dingen vinden, zoals zijn gebod om het geloof dat hij predikte te verspreiden met het zwaard.’

Beide gevallen zorgden voor evenveel opwinding op blogs, zegt Colbaugh. „Maar de opwinding bleef in het geval van de paus beperkt tot religieuze blogs. Bij de Deense cartoons waren er niet alleen reacties bij religieuze geleerden, maar ook op economische blogs waar discussies begonnen om Deense kaas te boycotten en op politieke blogs waar mensen spraken over het terugtrekken van ambassadeurs. Na de toespraak van de paus bleven de reacties rondzingen in een of twee echokamers, die de gemiddelde persoon niet echt interesseerden. Ze leidden dan ook niet tot protesten in de fysieke wereld.”

Colbaugh en Glass analyseerden veertien gebeurtenissen en hun effect in de ‘blogosphere’. De anti-islam toespraak van de paus in 2006, het onteren van de koran door Amerikaanse soldaten in 2005 en het ridderen van Salman Rushdie in 2007. Met terugwerkende kracht wisten Colbaugh en Glass in alle gevallen te voorspellen of de gebeurtenis tot geweld zou leiden of niet, niet door te kijken naar het aantal individuen, maar naar het aantal verschillende groepen dat over de gebeurtenis blogde.

De vraag is natuurlijk hoe goed de methode van Colbaugh en Glass werkt als er écht vooruitgekeken wordt? Het is niet duidelijk of de NSA de methoden van Colbaugh en Glass al gebruikt. Dat is classified. Duncan Watts, die inmiddels voor Microsoft werkt, is er sceptisch over: „Voorspellingen die gedaan zijn after-the-fact zijn geen echte voorspellingen Het is véél makkelijker om een model te fitten op data dan het is om échte gebeurtenissen te voorspellen.”

Egels en vossen

Ander onderzoek concentreert zich daarom juist weer op de individuele voorspeller. Gedurende twintig jaar analyseerde psycholoog Philip Tetlock van de University of Pennsylvania 28.000 voorspellingen van 284 regeringsambtenaren, journalisten, professoren en marketeers. „De meeste experts doen het niet beter dan eenvoudige extrapolatiemodellen”, zegt Tetlock daarover. Maar hij ontdekte ook dat sommige mensen wel degelijk betere voorspellers zijn dan anderen. Hij onderscheidde twee soorten deskundigen, die hij ‘egels’ en ‘vossen’ noemde. Egels hebben uitgesproken meningen en bedienen zich van kleurrijke taal. Dat zijn de perfecte columnisten en leuke studiogasten. Maar egels zijn wel waardeloze voorspellers.

De vossen zijn saai en sceptisch maar ook bereid om hun ideeën bij te stellen op basis van nieuwe feiten. Ze presteren duidelijk beter dan de egels. Tetlock heeft inmiddels geld gekregen van de IARPA, om supervossen af te richten.

Via zijn The Good Judgement Project (www.goodjudgementproject.com) werft Tetlock ieder jaar drieduizend voorspellers die uitspraken doen over vragen als: Valt de eurozone uit elkaar? Wanneer heeft Iran kernwapens? Gaat de Verenigde Staten ingrijpen in Syrië? Tetlock: „We identificeren de beste twee procent. Zestig mensen. Die verdelen we over vijf teams van twaalf. Onze vraag was of zij het beter konden dan de wisdom of the crowd: het gemiddelde van alle voorspellingen. En het antwoord is: ja, substantieel beter.”

De zogeheten supervoorspellers bleken het ongeveer drie van de vier keer bij het rechte einde te hebben. Dat zou natuurlijk geluk kunnen zijn, en daarom herhaalde Tetlock de proef. „De supervoorspellers wonnen in beide jaren met afstand het toernooi. Van de zestig toppers uit jaar een, hoorde vijftig bij de toppers van jaar twee. Ze waren beter dan alle andere teams. Ze verslaan ook alle andere voorspellingstechnieken.”

Goede voorspellers gebruiken hun hersenen. Ze zijn goed in de Ravens Matrices Test, waarin mensen reeksen van getallen en plaatjes moeten afmaken. En ze scoren hoog op de cognitieve reflectietest, die vereist dat iemand nog even nadenkt over de gedachte die het eerst opkomt. De meeste mensen zullen ‘10 cent’ antwoorden op de vraag: Een honkbal en een handschoen zijn samen 1,10 dollar, en de handschoen is een dollar duurder dan de bal; hoe duur is de bal? Maar wie even langer nadenkt komt op het juiste antwoord: ‘5 cent’.

Tetlock: „Tenslotte denk ik dat supervoorspellers heel erg genieten van het werken met andere supervoorspellers. Als je echt slimme mensen met gedeelde interesses bij elkaar zet, komt er veel spontane energie vrij, wat denk ik helpt hun prestaties nog verder te verhogen.”

Maar nieuwe Uri Gellers heeft Tetlock nog niet ontdekt. „Oh nee”, reageert hij lachend, „Ook de supervoorspellers zitten er vaak compleet naast.”