Nederlandse inspecties: boeman of bemoediger?

Dagelijks gaan heel veel kwetsbare dingen goed in dit land. Open hartoperaties, glazenwassers op wolkenkrabbers, spullen betaald en eerlijk verstuurd via internet, al die kinderen veilig naar school gefietst, bijna iedereen gevoederd zonder klachten. Geen nieuws maar wel een zegen.

Soms loopt er iets fout. Meestal weten alleen de omstanders ervan. Een enkele keer steekt een storm op die het plaatselijke overstijgt. Dan horen we over het tragische lot van een huisarts in Noord-Holland, een kindje dat aan de veelziende ogen van de jeugdzorg is ontsnapt, een asielzoeker die de dood vindt in verzekerde maar onveilige bewaring, een woningbouwcorporatie die voor miljarden in riskante financiële producten zit, een grote bank die jarenlang meewerkte aan het manipuleren van de rente.

Het is een teken van beschaving dat daar massale verontwaardiging over ontstaat. Hoe kon het gebeuren? Waar was het toezicht? Een paar reacties op zulke noodtoestanden zijn standaard. De media vliegen erop af, soms zo massaal dat de betrokkenen nauwelijks meer te zien zijn. In de Kamer worden maatregelen geëist om herhaling te voorkomen. De toezichthouders wordt op hoge toon gevraagd wat zij uitspoken.

Wie met persoonlijke getuigenissen het verhaal naar zich toe trekt komt publicitair op voordeel. Bewindslieden proberen meestal tijd te rekken. Eerst onderzoek. Zij moeten weerstand bieden aan de ‘risico-regelreflex’ – onder druk beloven zij aanscherping van de wet, hopend dat men het vergeet. Zeggen dat gevaren bij het leven horen, is politiek gewaagd. Hopelijk neemt een andere calamiteit de verontwaardiging over.

Vervolgens – zij zien ook wat er gebeurt – vragen Kamerleden om steun voor de actieve burger. Ook deze week werd er bij de behandeling van de begrotingen van onderwijs en zorg gevraagd om vermindering van regeldruk en overheadkosten. Opstapeling van regels die alle mogelijke narigheden willen uitsluiten, leidt tot stroperigheid. Daar willen we van af. Desnoods via dwingende voorschriften.

Een sluwe politieke variant bij calamiteiten is de schijnwerper op de toezichthouder richten: daar moet de bezem es door. De Nederlandsche Bank heeft in de publiciteit de meeste schuld gekregen voor de ramp met ABN Amro, maar de minister van Financiën had gewoon ‘nee’ kunnen zeggen tegen verkoop. Het kabinet-Balkenende heeft De Bank met open ogen in drieën laten scheuren. Daar had DNB stelliger tegen kunnen ageren, dat wel. Daar kwam DSB nog bij. Pas onder Rutte I heeft minister De Jager De Nederlandsche Bank de oren gewassen.

Deze week bleef het verrassend stil rond DNB en het Libor-renteschandaal dat jaren kon doorgaan. Voorlopig staat vooral de Rabobank met zijn gejochem te kijk. Als de coöperatieve rentefraude doorziekt komt vast alsnog de vraag aan de beurt: waar was de veldwachter?

Een positieve verklaring voor dit publiek-politieke calamiteitenrumoer is dat we sneller horen wat er gebeurt, ook op detailniveau, dankzij betere rapportagesystemen. Dat geldt voorlopig misschien meer in zorg en welzijn dan in de financiële sector. Hoe beter ontwikkeld de controle, hoe duidelijker zich de ‘toezichtparadox’ voordoet: omdat toezicht in allerlei sectoren volwassener is dan zeg tien, twintig jaar geleden, horen we ook vaker wanneer iets mis gaat. Dan lijkt het alsof er steeds meer fout loopt, maar het tegendeel kan waar zijn.

Tussen de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam (AMC) en het Openbaar Ministerie enerzijds en de medische beroepsverenigingen plus de nabestaanden van de huisarts uit Tuit- jenhorn anderzijds zal nog wel enige tijd discussie blijven over de vraag of de arts het levenseinde van zijn patiënt op aanvaardbare wijze dichterbij heeft gebracht, of daarbij zo protocol-overschrijdend daadkrachtig is geweest dat het gebruikelijke overleg met hem het aflegde tegen de noodzaak van inspectie- en strafrechtelijk onderzoek. Nu won de strenge politierol.

In onze open samenleving vindt in dit soort geval via allerlei media een publiek proces plaats waarbij alle spelers wisselend in de rol van verdachte, slachtoffer en getuige terecht kunnen komen. In veel van dit soort zaken is het afgebrokkelde gezag van de overheid een constante. Veel nieuwe toezichthouders hebben nog weinig gezag opgebouwd; zij lijden mee onder het vertrouwensverlies dat ‘de overheid’ teistert. Terwijl kracht wordt verwacht.

De inspectie volksgezondheid bestaat lang genoeg om een gevestigde naam te hebben. Maar ook de IGZ kan met 550 medewerkers bezwaarlijk meeluisteren in iedere spreekkamer, alle ziekenhuizen, privéklinieken, verpleeghuizen en bij alle 1800 apotheken, 500 apotheekhoudende huisartsen en pillenfabrieken in binnen- en buitenland. Een sector waar jaarlijks 75 miljard omgaat en 800.000 mensen werken om meer dan een miljoen mensen zo goed mogelijk gezond te houden. Iedereen werkt of loopt in de zorg.

Die enkele keer dat het fout gaat, wordt geroepen om streng optreden tegen slechte ziekenhuizen, onwijze artsen en slordige apothekers. De rest van het jaar wordt deskundige discretie verlangd. Tussen zorgpolitie en bemoedigende meedenker vervult zo’n toezichthouder een veeleisende rol voor een samenleving die grillig, kort van geheugen en veeleisend is.

De politiek is daar een reflectie van. Het is ook diezelfde landelijke politiek die haast heeft zorg- en welzijnstaken naar gemeentes af te stoten. Als straks weer eens iemand te hard uit bed valt wijst Den Haag naar een verbluft stadhuis. En de IGZ? Die zal nog meer dan nu optreden als vriendelijke maar rechtvaardige wijkagent.

mail: opklaringen@nrc.nl, tw @marcchavannes