Moet er dan nóg een financiële crisis komen?

De jongste ontwikkeling in een lange reeks: de Bank voor Internationale Betalingen, de club van centrale banken, zei gisteren uniforme regels te willen voor banken voor het berekenen van het benodigde vermogen voor transacties op de financiële markten. Het blijkt dat banken al weer veel te creatief worden bij het aanwenden van zo weinig mogelijk buffers voor hun capriolen in de dealing rooms.

Woensdag werd duidelijk dat een lopend onderzoek naar fraude bij het vaststellen van dagelijkse valutakoersen door banken in een stroomversnelling komt. Dinsdag belandde een boete van opgeteld 774 miljoen euro op de deurmat van de Rabobank, wegens fraude met het vaststellen van de zogenoemde Libor-rente.

Ziehier de oogst van slechts één week. Het toezicht op de financiële sector begint steeds meer te lijken op de Roadrunner-tekenfilms, waar een steeds wanhopiger coyote van alles verzint om een loopvogel te vangen die hem uiteindelijk telkens te snel af is. Sinds het uitbreken van de financiële crisis is er nationaal en internationaal een uitdijend epos van wetten en regels opgetuigd om banken in het gareel te houden. Het wordt zo langzamerhand de vraag of dit wel genoeg is.

Vlak na de crisis waren de ideeën nog revolutionair. Het riskante zakenbakieren zou, zoals in de Verenigde Staten na 1929 gebeurde, wellicht het beste weer strikt kunnen worden gescheiden van het bankieren voor het grote publiek. Banken moesten weer kleiner en eenvoudiger worden. Er zou een verbod moeten komen op te complexe financiële derivaten, of ze moesten ten minste worden gestandaardiseerd en verhandeld op de beurs, zodat iedereen de prijsvorming en de handelsvolumes kon zien. En wellicht was een kleine belasting op financiële transacties een idee, opdat de hoeveelheid daarvan niet uit de hand zou lopen.

Het is allemaal niet, of slechts ten dele, gebeurd. Wat uiteindelijk resulteert is een keurslijf van nieuwe regels, wetten en tests dat het systeem als zodanig intact laat, aangevuld met goede voornemens in de vorm van bijvoorbeeld een bankierseed. Maar wie de deze week gepubliceerde e-mailwisselingen van de Rabo-handelaren leest, mag vrezen dat zo’n vrijwillige gedragsverandering een loos gebaar is.

Het verwateren van alle goede voornemens van destijds is deels te wijten aan de goed georganiseerde en schatrijke lobby van de financiële sector, die aan zelfvertrouwen wint naarmate de crisis langer geleden is. Gemeenschappelijk beleid wordt bovendien gefrusteerd door de concurrentie tussen staten die de eigen sector beschermen.

Maar ook lijkt er bij veel autoriteiten en toezichthouders nog steeds het idee te leven dat met de financiële sector in zijn huidige vorm fundamenteel weinig mis is en dat meer toezicht de oplossing is.

Een creatieve en hoogontwikkelde financiële sector is cruciaal voor de moderne economie. Maar van de oorspronkelijke notie, vijf jaar terug, dat de omvang van de bedrijfstak zich niet meer op een gezonde wijze verhoudt tot de productie van goederen en diensten die zij zou moeten faciliëren, is weinig meer over. Dat terwijl een groeiend deel van de activiteiten mag worden beschouwd als ‘rent-seeking’: het opstrijken van winsten zonder dat daar enige toegevoegde waarde tegenover staat.

Dat maakt somber, want een mogelijke conclusie moet zijn dat er een herhaling van de financiële crisis voor nodig is om de sector en de beleidsmakers ervan te doordringen dat hervormingen ingrijpender, diepgaander en universeler moeten zijn.

De burgers, het bedrijfsleven en de overheid staan, ondanks alle goede voornemens, intussen nog steeds aan de kant als in de dealing rooms elke dag weer het muntje weer wordt opgegooid: kop, ik win – munt, u verliest.