‘Mijn adviezen zijn eenvoudig op te volgen’

Van het boek De Voedselzandloper van arts/schrijver Kris Verburgh zijn 200.000 exemplaren verkocht. Critici zeggen dat hij waarschijnlijkheden als waarheden presenteert. Verburgh: „Een arts moet stellig zijn, anders werken zijn adviezen niet.”

Kris Verburgh: „Het is toch ook heel wonderlijk dat van de 2,2 miljoen bekende diersoorten er maar een paar over zich zelf kunnen nadenken. Waarom is dat?” Foto Katrijn van Giel

Le Café Royal op het Centraal Station in Antwerpen. Geen seconde te vroeg, maar ook geen seconde te laat, komt Kris Verburgh binnenlopen. Woensdagmiddag, twee uur.

Iets drinken?

„Water graag, plat water.”

Iets eten?

„Nee, nee, dat is niet nodig.”

Dan gaat hij zijn handen wassen.

Kris Verburgh is arts, basisarts, 27 jaar en de schrijver van De Voedselzandloper, waarin hij zegt dat we slanker worden en jonger blijven als we minder brood, pasta, aardappelen, rijst, suiker, rood vlees, melkproducten en dierlijk vet eten, en meer groente, fruit, noten, peulvruchten, vette vis en donkere chocola. Een bestseller, al anderhalf jaar, met meer dan 200.000 verkochte exemplaren. De NS Publieksprijs heeft hij niet gewonnen, maar zijn boek staat sinds deze week wel op nummer 1 van de CPNB-top 60. Het bijbehorende kookboek, net verschenen, staat op nummer 5.

Veel volgelingen dus. Maar ook veel critici. Die zeggen dat Kris Verburgh waarschijnlijkheden als waarheden presenteert en oorzakelijke verbanden ziet waar ze niet hoeven te zijn. De straten zijn nat, dus het regent.

Hij gaat zitten en begint te praten. „De grote thema’s, die interesseren me. De vergankelijkheid, hoe het komt dat we doodgaan. Een muis leeft drie jaar, maar een vleermuis, met hetzelfde metabolisme, leeft dertig jaar. Dat is toch wonderlijk? Zeeanemonen en andere poliepen zijn onsterfelijk. Hoe kan dat?”

Hij praat en praat en praat, en hij komt van het een op het ander, maar hij laat zich gemakkelijk onderbreken. Dan luistert hij aandachtig – en praat weer verder.

Zijn moeder was laborante en is nu huisvrouw. Zijn vader is een gepromoveerde chemicus. Kris Verburgh, enig kind, groeide op in Puurs, een dorp ten zuiden Antwerpen. Als kleine jongen zat hij graag in de bibliotheek om antwoorden te zoeken op vragen als ‘waarom leeft een mens wel en een rots niet?’ en ‘is er een grens aan het heelal?’ en ‘wat is bewustzijn?’.

„Het is toch ook heel wonderlijk”, zegt hij, „dat van de 2,2 miljoen bekende diersoorten op aarde er maar een paar over zichzelf kunnen nadenken. Waarom is dat? En dat we dat kunnen, is plezant, maar ook een vloek, want je krijgt er stress van. Hoe kom ik over? Heb ik wel de juiste kleren aan? Op welke plaats sta ik in de hiërarchie ten opzichte van anderen? Dat je je van jezelf bewust bent, confronteert je met je sterfelijkheid.”

Weet u nog wanneer u voor het eerst dacht: ik ga dood?

„Ik kan me niet herinneren dat ik me er ooit níet van bewust geweest. Maar toen ik een jaar of veertien was en me bezig hield met de vraag wat leven was... hoe lang het universum al bestond... hoe nietig we zijn... de tijdelijkheid van ons bestaan... Ik moest daar wel van slikken. Ik gaf eens een lezing over het universum, ik was achttien, en een meisje in de zaal begon te huilen: wat stelt ons leven dan voor? Waarom zijn we er?”

Kris Verburgh schreef op zijn zeventiende een boek over het universum, Schitterend! Op zijn twintigste schreef hij Fantastisch! Dat gaat over het universum, de evolutie en de hersenen.

Maakt de gedachte aan uw eindigheid u nog steeds verdrietig?

„Nee, nee. Je kunt daar triestig van worden, maar je kunt ook blij zijn dat je bestaat. Uit het talloze aantal mogelijke combinaties van zaadcellen en eicellen ben jij degene die geboren is. Jij mag 80 jaar meedoen op het toneel en het aanschouwen. Het leven is een geschenk dat niet had gehoeven.”

Praatte u als kind al zo graag?

„Ja, heel graag. Ik deel heel graag mijn verwondering over alles en dat had ik op school al. De meeste kinderen hadden een hekel aan spreekbeurten, maar ik deed ze vrijwillig. Na de vijfde spreekbeurt zei de leraar: nu mag je niet meer, nu moet een andere leerling.”

Uw eerste spreekbeurt ging over...?

„Eh... de Titanic... denk ik. Op mijn achtste, dat weet ik nog wel, hield ik een spreekbeurt over de evolutie van oerknal tot bewustzijn. Zo jammer dat daar in het onderwijs zo weinig aandacht aan wordt besteed. Wat leer je op school nou over zwarte gaten? Over quantummechanica? Over psychologie? Leer kinderen over geluk, leer ze omgaan met angsten en depressies, leer ze zichzelf kennen, leer ze...”

Bent u wel eens depressief geweest?

„Nee, nee. Mijn continue verwondering over de wereld behoedt me daarvoor. En door het voortdurend vergaren van kennis kan ik mezelf goed relativeren.”

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van uw persoonlijkheid?

„Openstaan voor nieuwe ideeën. Nieuwsgierigheid. Creativiteit. Gevoel voor veel dingen...”

Werd u gepest als kind?

„Niet echt. Ik was heel mondig en ook wel een voortrekker. Ik kon me goed amuseren met vrienden, maar als ik op straat rondhing, dacht ik wel: ik kan beter een boek gaan lezen. Als je goed wilt worden, waarin dan ook, dan moet je jezelf isoleren.”

Kende u meer kinderen zoals u?

„Nee. Ik wist niet hoe hard ik dat miste, tot ik op mijn zestiende meeging op een groepsreis naar Cern.” [De deeltjesversneller in Genève.]

„Ik stapte in de bus en hier zag ik iemand Scientific American lezen, en daar Neos en verderop The New Scientist. Het waren allemaal jonge mensen die ook over filosofie wilden praten, over moraliteit, over de vraag of absolute schoonheid bestaat, over de extrinsieke en intrinsieke zin van het leven, over...”

Was u wel eens verliefd?

„Uiteraard. Maar dat is persoonlijk.” Voor het eerst is hij even stil.

En nu? Bent u getrouwd?

„Ik woon samen met iemand die ook zeer gepassioneerd is, maar meer over kunst dan over wetenschap.”

Wanneer is uw belangstelling voor voeding begonnen?

„Toen mijn belangstelling voor veroudering begon, vanaf mijn veertiende. Veroudering maakt dat we sterfelijk zijn. Hoe meer ik me erin verdiepte, hoe meer ik zag dat voeding er een belangrijke rol in speelt. Het beste middel tot nu toe om veroudering af te remmen is voeding. Als student geneeskunde verbaasde het me dat het bij artsen altijd gaat over behandelingen en over medicijnen, maar nooit over preventie van ziekte door voeding. De meeste ziekten in de westerse wereld zijn ouderdomsziekten. Het risico daarop kun je flink beïnvloeden door anders te eten.”

En dat inzicht wilde u graag delen?

„Jaja, natuurlijk. Je kunt met goede voedingsadviezen heel veel betekenen voor mensen. Je kunt ervoor zorgen dat ze zich veel beter voelen. Ik herinner me een patiënt die altijd buikpijn had, ze was al bij veel artsen geweest. Ik zei: stop met melk. Binnen twee weken was ze van haar klachten af. Ik heb diabetespatiënten gezien die geen insuline meer nodig hadden nadat ze waren gestopt met brood en pasta.”

Bent u nog in opleiding?

„Na mijn artsexamen heb ik op de afdeling neurologie en psychiatrie gewerkt, maar daar ben ik voorlopig mee opgehouden voor mijn boek en om onderzoek te doen.”

Doet u dat onderzoek alleen?

„Ik kan daar nog niet veel over zeggen, maar ik heb uitnodigingen om naar Amerika te gaan.”

Van wie?

„Nogmaals, daar kan ik nog niet veel over zeggen, maar er is een uitnodiging van een hoogleraar om onderzoek te komen doen naar veroudering, diabetes en alzheimer, en er is nog een uitnodiging, van een andere onderzoeksgroep. ”

Uw boek krijgt nogal wat kritiek van artsen en voedingskundigen.

„Jaja, uit conservatieve hoeken.”

Kris Verburgh, zeggen die, baseert zich wel op studies in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften, maar dat doet hij selectief en te stellig. Best mogelijk dat vrouwen die veel vette vis eten intelligentere kinderen krijgen, maar dat hoeft niet aan die vette vis te liggen. Het zou ook kunnen zijn dat intelligente vrouwen meer vette vis eten. En intelligente vrouwen krijgen vaker intelligente kinderen. Voor bijna alle associaties die in studies gevonden worden – chocola en hartinfarcten, spruitjes en prostaatkanker, koolhydraten en eierstokkanker – geldt dat ze vaak op toeval berusten en er zelden harde bewijzen voor zijn.

Wat vindt u van die kritiek?

„Als iemand kan aanwijzen waar ik een fout maak of waar mijn adviezen gevaarlijk zijn, pas ik mijn boek onmiddellijk aan. Maar verder ben ik het er niet zo mee eens. Een arts moet stellig zijn, anders werken zijn adviezen niet. Als je zegt: met een handvol walnoten per dag heeft u 45 procent minder kans op een hartaanval, dan begrijpen mensen dat. Als je het genuanceerd brengt en zegt dat er een associatie is gevonden die zou kunnen wijzen op... Geen patiënt die dan nog doet wat je aanraadt.”

Een risico zou kunnen zijn dat mensen bang worden door uw adviezen. Ik eet geen walnoten, straks krijg ik een hartaanval. Ik eet suiker, daarom heb ik zoveel rimpels.

„En dan kunnen we het maar beter niet zeggen? Zo redeneert men in de conservatieve hoek. Laten we maar voorzichtig zijn, zolang we nog niet helemaal 100 procent zeker weten dat walnoten goed voor je zijn en frisdranken slecht. Ondertussen is er een epidemie aan de gang van hart- en vaatziekten, van diabetes, van kanker, en die wordt grotendeels veroorzaakt door ongezonde voeding en obesitas. Het wordt alleen maar erger.”

Zijn mensen zelf schuldig als ze aan obesitas lijden?

Hij denk even na en formuleert aarzelend. „Vroeger zag men dat wel zo... Men zag het als een stoornis in de impulsbeheersing... Maar het is toch veel complexer dan dat. De obesogene omgeving... De veranderingen in het metabolisme die bij dikke mensen optreden, waardoor ze ook daadwerkelijk meer moeten eten...” Dan weer ferm: „Aan artsen de taak om mensen in te lichten over het belang van goede voeding, en dan niet voorzichtig, maar overtuigend. Als u elke dag frisdrank drinkt, neemt de kans op diabetes en kanker met zoveel procent toe. Als u veel koolhydraten eet, neemt de kans op een hartaanval met zoveel procent toe.”

En als mensen het dan toch blijven doen?

„Dat is dan hun eigen keuze.”

Misschien zijn mensen wel gelukkiger als ze eten waar ze zin in hebben.

„Dat hoor je vaak, hè. Dan leef ik maar tien jaar korter. Maar ik zeg: je wordt daar niet gelukkiger van. Mensen die ongezond eten, ontwikkelen vaak vanaf hun veertigste al chronische ziekten. Mensen die gezond eten zijn vrolijker, zien er beter uit, kunnen zich beter concentreren, hebben meer libido, meer quality of life. En hoe moeilijk is het? De kracht van mijn boek is dat mijn adviezen eenvoudig zijn op te volgen. Minder rood vlees, meer gezonde vetten, minder brood en aardappelen, meer peulvruchten, minder...”

Wanneer bent u zelf zo gaan eten?

„Toen ik studeerde. Vroeger at ik ook koeken en zo. Ik heb de verslaving zelf ondervonden.

„Als je ’s middags om vier uur een stukje marsepein neemt, en de volgende twee dagen weer, dan smeekt je lichaam op de vierde dag om dat stukje marsepein. En elke keer krijg je die suikerpiek, en suikerpieken beïnvloeden het proces van veroudering zeer sterk. Dat is bewezen in een groot aantal studies.”

Hoe kunnen mensen zich leren verweren tegen de verleidingen van al het vette en zoute of zoete eten om hen heen?

„Daarin zou de overheid veel doortastender moeten optreden. Niet met een vettax, daar geloof ik niet in. Wel door de landbouwindustrie anders te subsidiëren. Tarwe en mais zijn nog nooit zo goedkoop geweest, en overal gaat maisstroop in – koek, frisdrank, brood, alles. In de afgelopen decennia zijn frisdranken 25 procent goedkoper geworden en groenten 39 procent duurder.”

Is het probleem niet ook dat mensen nauwelijks meer hoeven te bewegen?

„De gezondheid wordt voornamelijk beïnvloed door voeding en op de tweede plaats door fysieke inspanning.”

Is brood of pasta ook ongezond voor mensen die de hele dag op het land werken? Of de Tour de France fietsen?

„Een Tour de France fietsen is sowieso niet gezond, maar dat terzijde. Grote fysieke inspanningen kun je gemakkelijk aan als je witte vis, noten en groente eet. Zo deden mensen het ook toen ze nog jagers en verzamelaars waren. Het metabolisme past zich vanzelf aan.”

Evolutionair gezien werden we pas een succes toen we landbouw gingen bedrijven.

„Jaja, maar ten koste van onze gezondheid. Met de opkomst van de landbouw werden mensen kleiner en ze begonnen chronische ziekten te ontwikkelen.”

Omdat ze ouder werden. En onze levensverwachting is nu hoger dan die ooit geweest is.

„Het kan veel beter. Met de kennis die we nu hebben over voeding en gezondheid kan onze levensverwachting wel met acht tot vijftien jaar toenemen.

„En we zullen pas veel later in ons leven geplaagd gaan worden door chronische ziekten.”