Meneer de president, luister even!

Deze week riep het Amerikaanse zakenblad Forbes Poetin uit tot de machtigste man ter wereld. Daarmee verdrijft hij Obama van de eerste plaats. Wie Vali Nasr leest, begrijpt de neergang van Obama.

Midden-Oosten, vredesbesprekingen in september 2010. Links: de Egyptische president Mubarak, Israëls premier Netanyahu, president Obama, Palestijnse president Abbas en koning Abdullah van Jordanië.

Tijdens de laatste dagen van de Egyptische revolutie, begin februari 2011, stond ik tussen tienduizenden demonstranten op het Tahrirplein in Kaïro. De demonstraties hadden president Hosni Mubarak bijna verdreven, maar op dat moment wist niemand dat nog. Mubarak zat nog in zijn paleis.

Wie je die dagen ook sprak, iedere demonstrant begon over Amerika. Dat Mubarak er nog zat, kwam door de steun van president Obama, zeiden ze. Die hield zijn bondgenoot in het zadel. Hillary Clinton, toen minister van Buitenlandse Zaken, had gepleit voor een ‘ordelijke overgang’, zonder duidelijk te maken of Mubarak moest vertrekken. Was dit, vroeg het Tahrirplein zich af, het Amerikaanse antwoord op het verlangen naar democratie van het Egyptische volk?

Nergens wordt zo in de almacht van de Verenigde Staten geloofd als in het Midden-Oosten. De demonstranten in Egypte wisten zeker dat president Obama in één dag Mubarak kon verwijderen. Dat dat niet gebeurde, moest wel te maken hebben met een slim geopolitiek spel in Washington.

Gebrek aan kennis

In werkelijkheid regeerde in Washington de chaos, beschrijft Vali Nasr in The Dispensible Nation, nu vertaald als De aftocht van een wereldmacht. Obama en zijn medewerkers waren volkomen verrast door de opstanden in het Midden-Oosten. Ze hadden geen idee wat ze moesten doen: vasthouden aan corrupte, gewelddadige en niet geliefde leiders? Opstandelingen steunen? Opeens wreekte zich dat er weinig kennis over de regio was. Obama had in 2009 een verzoenende speech gehouden aan de Universiteit van Kaïro, daarna kenmerkte de houding van het Witte Huis zich door afstandelijkheid.

De 52-jarige Vali Nasr kent de geschiedenis van binnenuit. De van oorsprong Iraanse politicoloog werkte het grootste gedeelte van Obama’s eerste termijn op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Nasr werd aangesteld als naaste adviseur van Richard Holbrooke, Obama’s speciale gezant voor Afghanistan en Pakistan. Toen Holbrooke overleed in december 2010, vlak voor de Arabische opstanden, kwam er ook een einde aan Nasrs baan. De aftocht van een wereldmacht is ontnuchterend, geschreven door iemand die zwaar teleurgesteld is in Obama. Dát Amerika’s rol in de wereld tanende is, staat voor Nasr vast. Wat ook vaststaat, is dat het grotendeels aan stommiteiten van de Amerikaanse regering ligt. Blunders, veranderende tactieken en een onwil om naar experts te luisteren – Nasr wijst ook naar zichzelf – zijn daar schuldig aan.

Selectief

Egypte, dat zich afspeelde vlak nadat Nasr zijn bureau had leeg geruimd, is daar volgens de auteur een goed voorbeeld van. Obama stuurde een gezant naar Kaïro, oud-ambassadeur Frank Wisner, die Mubarak duidelijk maakte dat hij nog even mocht blijven als hij hervormingen zou invoeren. Wisner was nog niet terug in de VS, of Obama was van mening veranderd. Mubarak moest gaan.

Nasr merkt met enig dedain op dat Obama’s naaste adviseurs in de demonstraties van het Tahrirplein iets van de geest van 2008 herkenden, toen zij zelf voor een grote politieke omwenteling in Amerika zorgden. Facebook, Twitter, pakkende slogans, die hadden zij toch ook gebruikt?

Maar buitenlandse politiek is niet hetzelfde als een politieke campagne, vindt Nasr. Het uiteindelijke vertrek van Mubarak en enkele andere heersers juichte Obama toe, maar er lag geen plan klaar. Niemand wist wat er moest gebeuren. Bovendien was de euforie selectief: over demonstraties in Saoedi-Arabië of Bahrein hoorde je Obama niet. Zonder dat Obama verder nog greep kreeg op de gebeurtenissen, kwam Egypte in steeds instabieler vaarwater terecht. De recente contrarevolutie door het leger heeft Nasrs boek niet gehaald. Hij maakt zich nog vooral zorgen over het scenario dat Egypte een theocratie naar Iraans model wordt.

Pragmatisme, een actieve Amerikaanse betrokkenheid in de regio en economische hulp bij het opbouwen van een democratie hadden Egypte volgens Nasr op de goede weg kunnen helpen. Niet alleen in Egypte, maar ook in de vele andere brandhaarden die Obama niet onder controle krijgt: Iran, Pakistan, Afghanistan en Irak.

In die zin is Nasr een leerling van zijn directe baas op Foggy Bottom, waar het ministerie gevestigd is. Nasr omschrijft Holbrooke als een ‘als pragmaticus uitgedoste idealist’. Iedere passage over Holbrooke heeft iets hagiografisch. Holbrooke had het allemaal door, maar het Witte Huis wilde weer eens niet luisteren.

Nu heeft Nasr een goede reden om boos te zijn. Weinig adviseurs zijn door Obama en zijn staf zo vernederd als Richard Holbrooke. Details over een jarenlange campagne van het Witte Huis tegen Holbrooke zijn vaker beschreven, onder meer in This Town van Mark Leibovich. Hoewel hij speciale gezant voor Afghanistan en Pakistan was, werd Holbrooke niet uitgenodigd als Obama een conference call met de Afghaanse president Karzai had. Ieder verzoek om een gesprek met de president werd genegeerd. Obama’s staf hield in het geheim een dossier bij van Holbrookes gedrag.

Achter deze moeilijke verhouding gaat de geschiedenis tussen Obama en Hillary Clinton schuil. Obama maakte een einde aan een bittere vete door Clinton minister te maken. Zij gaf zijn buitenlandse beleid bovendien een glamour-achtige uitstraling. Clinton wilde haar vertrouweling Holbrooke, een ervaren diplomaat die berucht was om zijn dwarse karakter, meenemen naar het ministerie. Obama zag Holbrooke als een intrigant, en hield afstand.

Vali Nasr beschrijft de eenzaamheid van Holbrooke in treffende verhalen. Het is de kern van zijn teleurstelling. Obama bleek niet geïnteresseerd in de mening van het State Department, maar voer zijn eigen koers. Grote dossiers, zoals Iran en Israël, eigende hij zich volledig toe. Op de andere dossiers, zoals Pakistan, werd het ministerie niet gehoord.

Vooral over Pakistan schrijft Nasr een goed geïnformeerd hoofdstuk. Hij toont met overtuiging aan dat de VS zich al sinds George W. Bush vergissen in dit land. Bush geloofde, ten onrechte, dat hij een medestander had in de toenmalige president Musharraf. Obama koos voor een hardere lijn, maar ook hij heeft geen gevoel voor Pakistan. Zo wordt de buitenlandse politiek van het land vooral gedomineerd door de wens de invloed van India in te dammen. De drone-oorlog die Obama ook in Pakistan voert, is volgens Nasr rampzalig voor de betrekkingen.

China’s pragmatisme

Nasr verwoordt een bijna universele klacht: ambtenaren klagen dat politici hun kennis niet op waarde schatten. Dat is begrijpelijk, maar Nasr maakt onvoldoende duidelijk hoe hij het anders had gedaan. Zijn oplossingen, en die van wijlen Holbrooke, kwamen meestal neer op een pragmatisch zwenken tussen een zachte en harde lijn, en veel geld. Zo pleit Nasr in het geval van Pakistan en Egypte voor Marshall Plan-achtige projecten.

Geld kan een machtig instrument zijn, maar is ook beperkt. Amerika maakt elk jaar miljarden over aan het Egyptische leger, maar stond machteloos toen de troepen onlangs schoten op demonstranten. Het intrekken van een deel van de steun maakt op de generaals weinig indruk. Ze weten dat Obama ze nodig heeft om de rust aan de grens met Israël te garanderen.

In zijn kritiek op de regering-Obama is Nasr het overtuigendst. Obama voert een internationale politiek vanuit het idee van een permanente campagne. Hij is zich meer dan bewust van de fouten van Bush, en reageert hierop met doctrineloze, vaak tegenstrijdige beslissingen. Terwijl de Amerikanen een kleinere rol op het wereldtoneel spelen, vult China deze leegte graag op. China breidt de invloedssfeer uit in Zuidoost-Azië en het Midden-Oosten. Volgens Nasr doen zij precies wat Obama nalaat: economische banden aanknopen. Zij hebben de lessen in pragmatisme van Richard Holbrooke kennelijk wel begrepen.