Engelsen zijn geobsedeerd door

gras

De correspondent

Titia Ketelaar in Groot-Brittannië

Gras. Als ik aan Engelsheid denk, dan denk ik aan gras. Aan het zachtgroene veldje in Norton, in Shropshire, waar twee dorpsbewoners me mee naartoe namen voor een bloedstollende wedstrijd bowls tegen het nabijgelegen Higford. Bloedstollend, dat waren hun woorden toen ze de generaties durende rivaliteit beschreven. Alsof het om Arsenal tegen Chelsea ging. Want bowls is een soort jeu de boules (maar noem het vooral niet zo), en aan de rand van het veld werd met typisch Engelse gereserveerdheid geklapt.

Ik denk aan Brampton Bierlow in South Yorkshire. Een oud-mijnwerkersdorp, vervallen. Op het voetbalveld – een beetje modderig maar wel bijgehouden – en het pas gezaaide gras rondom het herdenkingsmonument voor de Eerste Wereldoorlog na. Het prille groen stak af tegen de grijsheid van de rest van het dorp. De prioriteiten waren duidelijk: voetbal en het verleden.

Ik denk aan de weiden van Gloucestershire, waar ik wandel door kuddes schapen en koeien die banger zijn voor mij dan ik voor hen, met stiles (houten trapjes) die de velden scheiden. Het recht van overpad trekt zich niets aan van grenzen. En altijd – hoewel je een hele dag geen tegenligger hoeft tegen te komen – tekenen zich de voetstappen van je voorganger af: een paadje waar het gras net iets meer platgetrapt is.

Als je niét over het gras mag lopen – denk aan de Londense parken, de colleges van Oxford en Cambridge – staat er een groot bord: ‘please, do not walk on this grass’. De enigen die zo’n verbod negeren, zijn buitenlanders. Voor de Engelsman is een regel – hoe onlogisch ook – een regel.

Gras is Wimbledon, Wembley, Ascot, Aintree, polo. De tuinen van National Trust-landhuizen, met vistas en borders vol bloemen. Opgerolde hooibalen als stippen in het heuvelachtige landschap. Zomermiddagen aan de rand van het cricketveld, een glas in de hand, en het tik-tik van de bat en de bal op de achtergrond. Een bazaar om de kerktoren te redden in Hazelbury Bryan, Dorset, een dorpsfeest in Chinnor, Oxfordshire, een car boot sale in Wycombe. Alle inclusief zelfgebakken taarten, thee (veel thee) en een loterij.

Gras is Henley, wat weliswaar een roeiwedstrijd is, maar waar het net als bij andere evenementen gaat om de enclosures, om welk afschermde grasveldje je mag betreden. Je plek in de hiërarchie wordt ermee aangegeven.

Gras is picknicken. Dat natuurlijk ook door andere volkeren wordt gedaan. Maar de Engelsen zijn specialisten, de sandwich is uitgevonden om zonder bord te eten. Voor de Engelsen betekent het woord picknick optimisme, het symboliseert hun hang naar het platteland. Naar het ‘green and pleasant land’, de strofe uit Jerusalem, het onofficiële volkslied van de Engelsen, dat ze sinds de industriële revolutie al vrezen kwijt te raken.

Geen Engelsman die denkt aan de fysieke ongemakkelijkheid van het balanceren van borden en glazen op een hobbelig kleed. Noch aan de onvermijdelijke regen. Door het hele land zie je gezinnen in een auto met beslagen ruiten hun picknick eten.

„Wij zijn geobsedeerd door het landschap. Het is de mythe van Engeland als een groen en prettig land”, vertelde Sir Roy Strong, oud-directeur van het Victoria & Albert Museum en de National Portrait Gallery, en tuinhistoricus, me onlangs. „De ironie is dat we op een eiland wonen en niet naar de zee kijken. Jullie Nederlanders schilderden de zee, wij het landschap. Hetzelfde geldt voor onze dichters.”