En bijna meteen fulmineert de hoofdpersoon weer tegen Koelewijn

Waarom moest A. van der Heijden mijn ouderlijk huis in zijn boek De helleveeg neerzetten als plaats delict? Waarom liet hij een aborteuse boven het huis wonen? Een auteur heeft, terecht, veel vrijheid. Maar waarom maakt Van der Heijden daar misbruik van, vraagt Peter Koelewijn zich af.

Ik begrijp het niet. Waarom moest de schrijver A. van der Heijden zo nodig mijn ouderlijk huis in zijn boek De helleveeg neerzetten als de plaats delict? Waarom wordt de naam Koelewijn zo ongelooflijk vaak betrokken bij de criminele, levensbedreigende praktijken in dat boek? Mijn huis, de viswinkel in het Eindhovense stadsdeel Stratum, waar ik zo’n goede jeugd heb gehad. Dat ook het huis was van mijn broers Klaas, Herman, Theo, mijn onlangs overleden zus Josephine, mijn hardwerkende vader en mijn nóg harder werkende lieve en sociale moeder, die altijd voor iedereen klaar stond.

Mijn moeder, die zich een ongeluk heeft geschrobd en geboend om het huis en de winkel schoon te houden en die een paar keer per week een dubbele was draaide, één voor de viskleren en een voor de ‘gewone’ was. In zo’n ouderwetse tobbe met een wringer en een wasbord. Dat huis.

Waar amper genoeg ruimte was voor zeven mensen. Achter de winkel een kleine huiskamer en een keuken, met boven de viswinkel de slaapkamer van mijn ouders, met nog twee kleine slaapkamers voor mijn zus en mijn broer Theo, die zwaar astmapatiënt was en met een zolder voor de drie andere jongens. En dan lees ik in dat boek dat het bij ons niet te harden was van de stank en dat de slaapkamer boven de winkel beschreven wordt als een duistere, levensgevaarlijke plek waar een illegale abortuspraktijk gevestigd was.

Blz. 44/45: „Ja, we hebben elkaar al eens ontmoet”, zei Tiny. „Niet hier. U woonde toen nog in Stratum. Boven de viswinkel van Koelewijn. De lucht kwam langs de trap omhoog. Ik moest er bijna van overgeven.” Blz. 184: „Koelewijn, ja”, zei Tiny. „Boven die winkel ergens. Op de trap stonk het naar vis. Ook in de kamer van dat mens hing een vislucht. Jammer dat ik wist dat de stank van de zaak beneden kwam. Anders had ik nog iets anders geroken … onraad namelijk …’’

Schrijver Van der Heijden meldt in zijn stuk in NRC, afgelopen zaterdag: „Nergens, echter, staat dat de familie Koelewijn haar inkomsten uit de viswinkel aanvult met die uit een illegale abortuspraktijk.” Dat is natuurlijk een hele troost voor mij en mijn familie. Maar wie heeft dan die ‘engeltjesmaakster’, die pseudomoordenares, toestemming gegeven om haar weerzinwekkende praktijk in ons huis uit te voeren? Verhuurd of gratis, we waren er toch bij betrokken? Blz. 185: „Ik zal je vertellen met wat voor gereedschap ze werkte, die vuile omsteekster. Het was niet eens een omsteekster, want zo iemand gebruikt tenminste nog een haaknaald of iets wat daarop lijkt. Jouw mevrouw, Hanny, deed het met haar blote klauwen. Haar nakende tengels. Bijgevijlde nagels, dat waren haar instrumenten. Ze sleep ze met puimsteen, de helleveeg. Ze stond erom bekend.” En verder op blz. 189: Hanny had die avond buiten de viswinkel van Koelewijn op haar zusje staan wachten. (...) Uit een openstaand raam op de bovenverdieping kon elk moment Tiny’s pijnkreet over de stille straat schallen.

Ik begrijp het niet, de vergelijkingen die Van der Heijden maakt met de zaken om Willem Frederik Hermans en Gerard van het Reve. Een godsdienstkwestie. Als hij over alle vishandelaren in Nederland had geschreven, had je mij niet gehoord. Zijn gedachte dat als hij in een vertrek van Peek & Cloppenburg een drugsdeal zou laten plaatsvinden, en dat de directie van P&C dan niet zou reageren, is een minne vergelijking. Laat hij de drugsdeal dan maar eens laten spelen in het huis van de met naam en toenaam genoemde directeur van dezelfde P&C. Dan komt het hele juridische apparaat van P&C voor die directeur in het geweer. En wat moet ik met de arrogante opmerking ‘Quod scripsi, scripsi’ – ‘Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven’?

Hij plaatst zich daarmee op het schild van onaantastbaarheid. Alsof hij ermee wil zeggen: „Peter Koelewijn, of ik nu onzinnig, kwetsend, beledigend of lomp schrijf, als ik het heb geschreven, heb jij je er bij neer te leggen.” Ik hoor zelfs het hoofd deemoedig te buigen. Maar, mijnheer Van der Heijden, hoewel een auteur ongelooflijk veel vrijheid in dit land heeft (en dat moet zo blijven), heeft hij daardoor een zeer grote verantwoordelijkheid om naar eer en geweten met die vrijheid om te gaan. Het siert hem als hij, net als iedereen, zich houdt aan de beginselen van fatsoen. Dat hij gebruik maakt van die vrijheid en geen misbruik. Dat doet een zichzelf respecterende en fatsoenlijke scribent. Die speelt niet zonder enige noodzaak met de naam en reputatie van eenvoudige middenstanders in een viswinkel in de wijk Stratum. Mag dit? Nee, je dóet zoiets gewoon niet! Er was geen enkel historisch of literair gewin om in mijn ouderlijk huis dat verschrikkelijke verhaal te laten afspelen. Waarom niet voor een andere naam en/of andere plaats gekozen? Ik weet het niet.

Ik begrijp het niet. Dat kinderachtige frappez toujours, het in de NRC steeds maar herhalen dat ik zijn boek niet goed gelezen heb. Natuurlijk heb ik het boek heel goed gelezen en weet ik dat mijn moeder niet de aborteuse is. Dat heb ik ook nooit gezegd, alleen heeft Van der Heijden (bewust?) de dagvaarding niet goed gelezen.

Dat men mogelijk wel de gevolgtrekking kán maken dat mijn moeder de heks is, blijkt uit diverse reacties op internet. Zelfs RTL Nieuws had het er deze week over. „Boven de viswinkel werden illegale abortussen uitgevoerd door de moeder van Peter Koelewijn. Althans volgens dit boek, De helleveeg.” Dat komt omdat de schrijver ook mijn moeder in werkelijkheid opvoert. Die onduidelijkheid heeft hij zelf geschapen. Blz. 184: Voordat ik ook daar in zou moeten bijten, nam mevrouw Koelewijn mij de paling, samen met het vetvrije papier, uit handen.

En bijna meteen daarna begint de hoofdpersoon weer te fulmineren tegen Koelewijn.

Ik begrijp het nog steeds niet. Een befaamd schrijver als A. van der Heijden hoort te weten dat, als men fictie en werkelijkheid door elkaar laat lopen, hij van een lezer niet kan verwachten dat die die scheidingslijn ziet. De goedkope truc om mij persoonlijk in het verhaal te slepen (blz. 184: Hij was bevriend met de zoon des huizes, die net een Nederlandse rock-‘n-rollhit had met ‘Kom van dat dak af’), maakt die lijn nóg dunner. ‘Waar rook is, is vuur.’

Wat ik nu helemáál niet begrijp, is dat de schrijver in het boek nergens gewag maakt dat hij het verhaal volledig heeft verzonnen. En ook niet dat hij in NRC van vorige week op geen enkele manier laat blijken dat hij misschien te ver is gegaan. Integendeel, het spijt hem alleen dat hij mij een slecht humeur heeft bezorgd. Zelfgenoegzamer kan een mens niet zijn.

Maar ja, wat wil ik nu toch: quod scripsi, scripsi.