Een ‘archieffunctie’ is niks voor David Endt

Het leek tot deze zomer ondenkbaar, maar de breuk tussen teammanager David Endt (59) en Ajax is sinds vrijdag definitief.

David Endt haalt zijn rechterhand vertwijfeld door zijn krullen. Over zijn rechterschouder hangt een eenvoudige tas, onder zijn linkerarm houdt hij Het Parool. Op de voorpagina een foto van Ajax-spelers op weg naar hun eerste training. ‘Voor Ajax is de vakantie voorbij’, kopt de Amsterdamse stadskrant. Endt is er voor het eerst in 26 jaar niet bij. Het is dinsdagavond 25 juni.

Oud-doelman en directeur in opleiding Edwin van der Sar heeft hem die ochtend verteld dat hij wordt bedankt voor bewezen diensten. „Endt doet zijn werk goed, maar het kan beter,” heeft Ajax-trainer Frank de Boer in een toelichting gezegd. Endt: „Een ontzettende klap.” Voor hem zal worden gezocht naar een „passende functie binnen Ajax”, meldt de persverklaring. Endt, staand voor zijn huis: „Een archieffunctie behoort tot de mogelijkheden, zeiden ze.”

Een belediging voor de man die begon als speler, perschef werd en als teammanager de laatste negentien jaar uitgroeide tot clubicoon en vertrouwensman was van spelers als Jari Litmanen, Klaas-Jan Huntelaar, Jan Vertonghen en Daley Blind. Laatstgenoemde toont zich die dag geraakt als hem wordt gevraagd naar Endt. „Ik ben er kapot van. Het is een fantastische man.”

Hoe bijzonder de band tussen de twee is, blijkt uit een anekdote die Endt vertelt op een aan alle seizoenkaarthouders verstrekte dvd na het het behalen van het 32ste landskampioenschap, afgelopen zomer.

Gestoken in een hagelwit overhemd en een kleurige lamswollen trui blikt Endt terug op de topper van dat seizoen: PSV-Ajax, waarin Blind „door het ijs zakt”. Endt: „Na de wedstrijd vind ik hem na lang zoeken in de doucheruimte. Daar staat-ie, in z’n eentje. Ik zie zijn verdriet, ik zie zijn emotie en loop naar hem toe. Al stroomt de douche door, ik pak hem vast en probeer hem moed in te praten. Daley Blind, kind van Ajax en één van de mooiere voetballers van onze club, zit er helemaal doorheen. Een deceptie. Het zal goed komen, maar op dat moment zit hij helemaal aan de grond.”

Het is Endt, zoon van een docent letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, ten voeten uit. Eloquent, charmant en warm. Niet bepaald een type dat is oververtegenwoordigd in de voetballerij. Pijnlijk detail in retrospectief: aan de muur achter Endt hangt duidelijk zichtbaar een ingelijst shirt van Edwin van der Sar, dan nog een held van Endt.

In de weken die volgen op zijn demotie verkent Endt de grenzen van zijn emotie. Hij hoopt op een terugkeer naar zijn functie, gaat op vakantie naar Toscane met zijn twee kinderen en worstelt bij terugkomst nog net zo met zijn verdriet. Eind juli: „Ik moet nu bovenal mijn waardigheid bewaren.”

Iets dat hem vrijwel altijd lukt. Behalve als hij eind die maand doorkrijgt dat een terugkeer als teammanager is uitgesloten en de club in allerijl de ‘passende’ functie creëert. Van het aanbod dat Ajax hem doet, ‘uithangbord’ van de club, is hij niet onder de indruk. „Clubliefde vind ik altijd een moeilijk woord maar ik heb natuurlijk affectie met Ajax”, zegt hij hoorbaar geëmotioneerd aan de telefoon. „Maar het is niet zo dat ik mijn hoofd maar even buig en het spoor zal volgen.” Een beladen uitspraak voor iemand met Joodse wortels. Endt: „Dat klopt.”

Naar de ware reden van zijn gedwongen afscheid als teammanager moet Endt dan nog altijd raden. Dat Ajax iets anders verwachtte van een teammanager in het huidige voetbal? „Daar kan ik me best iets bij voorstellen. Alleen, had me dat dan eerlijk verteld.” Dat hij tot het kamp van Louis van Gaal behoort, de aartsvijand van de nu almachtige Johan Cruijff? Hij glimlacht. „Dat is vooral perceptie van anderen. Ik ben bovenal Ajacied.” Dat hij niet gecharmeerd is van de werkwijze van Cruijff, is een publiek geheim. „Ik koester mijn herinneringen aan de voetballer Cruijff.”

Het publiek blijft hem in die dagen steunen. Bij de wedstrijd om de Johan Cruijff-schaal op 27 juli hangt er een spandoek in de Arena, met de tekst ‘David LegENDT’.

Voor het eerst in decennia neemt hij zelf ook weer plaats op de tribune, in plaats van op een vissersstoeltje achter het vijandelijke doel. „Dat vind ik niet erg. Als klein jongetje stond ik ook op de tribune.”

Het conflict met Ajax suddert dan nog immer voort. Vanaf oktober lijkt een breuk onafwendbaar. Advocaten onderhandelen over punten en komma’s. „Ik wil een uitroepteken zetten zodat ik aan een nieuw leven kan beginnen. Hopelijk in de sportwereld, want dat is het enige wat ik goed kan.”

Veel concreter was zijn plan vrijdagavond nog niet. „Ik kijk even wat me voor de voeten valt. Alles is nu mogelijk. Ik ben een vrij man. Een ding is zeker: ik blijf schrijven. Mogelijk ga ik iets op televisie doen.” En het theater, na alle stadions van de wereld? Lachend: „Dat zou wat zijn.”