De tragiek van het humanisme

Wolfs leven en werk is doordrongen van een dwingend inzicht: het humanisme is altijd ook een pessimisme. De humanist leeft nu eenmaal in voortdurend conflict met degenen die verdraagzaamheid en rechtvaardigheid niet als hoogste idealen willen erkennen. De vragen waar hij mee worstelde zijn van grote betekenis voor deze tijd, schrijft Paul Scheffer.

Portret Thomas Mann met opdracht, München, 1917. (Foto’s uit boek)

De Harmoniehof is een vergeten hoekje van Amsterdam dat zijn naam alle eer aandoet. Wanneer je uit de drukte van het Roelof Hartplein een nauwe zijstraat inslaat, lijkt het alsof de grote stad plotseling ver weg is. Nog een afslag verder openbaart zich een rechthoek van vroeg twintigste-eeuwse woningen die een plantsoen omsluiten. Er heerst een bijna onwerkelijke rust: een zacht klaterend fonteintje tussen het groen roept de sfeer op van een binnentuin. Veel van de huizen – uitgevoerd in rode baksteen – zijn met oeroude wingerd overgroeid. Alles ademt hof en harmonie, tot op de dag van vandaag.

Daar aan de Harmoniehof woonde mijn grootmoeder sinds 1922 op nummer 54 in het benedenhuis. We noemden haar oma Piet, wat een beetje vreemd was. Rie Wolf-De Weeger was namelijk tot in haar vingertoppen een dame. Haar bepoederde wangen roken zoetig, ze droeg steevast een keurig mantelpak in pasteltinten, luisterde eindeloos naar de Zauberflöte van Mozart en bezat een indrukwekkende verzameling handschoenen. Ook haar schoeisel was chic. Na haar dood werden onder haar bed wel vijftig paar schoenen aangetroffen, waarvan een flink aantal de verpakking nooit had verlaten.

Mijn broer en ik gingen elke vakantie minstens een week naar de Harmoniehof. De eerste bezoeken vonden plaats midden jaren vijftig en ik herinner me nog goed de twee kamers en suite op de benedenverdieping. De lichte achterkamer die grensde aan de tuin was het natuurlijke middelpunt van het huis. Daar was oma bij de ronde eettafel altijd in de weer met een theepot die verborgen zat onder een stolp van wol. Als ze een kopje inschonk, zag je dat ze het fijn vond om haar vrije hand in de warme holte van die theemuts te steken.

Hoe uitnodigend de achterkamer ook was, al vroeg werd mijn aandacht getrokken door de voorkamer, waar je vanaf de straat in kon kijken. Dat schemerige vertrek had iets van een museum, het leek alsof de tijd daar trager ging. Tegen de ene muur stond een schrijftafel met een portret erboven van een gekwelde persoon. Daarnaast een paars bankje, waar we zeker niet op mochten ravotten. Tegen de andere muur stond over de hele wand een zwarte kast propvol boeken, vaak gebonden delen met goud op snee. Die boekenzee reikte tot aan het plafond en dat was hoog, heel hoog. Verder stonden er nog wat stoelen en een tafeltje, allemaal met de kenmerkende buizen van Gispen.

Deze voorkamer was, zo hoorde ik veel later, het domein geweest van mijn vroeg gestorven grootvader Herman. Hij was negenenveertig jaar geworden: dat leek me oud, maar, zo werd me verzekerd, dat was nog vrij jong, dat zou ik later wel merken. Die afwezige opa was omgeven door een waas van geheimzinnigheid: hij was filosoof en hij had een hele plank geleerde boeken vol geschreven. Herman bleek te hebben gecorrespondeerd met belangrijke schrijvers, zoals de gekwelde man die boven zijn bureau hing. Dat was de Duitse Nobelprijswinnaar Thomas Mann, de buurman van zijn moeder, die onder het portret in spijkerschrift een allervriendelijkste opdracht aan Herman Wolf had geschreven. Van Mann en van andere schrijvers, zoals Stefan Zweig en Arthur Schnitzler, trof ik gesigneerde boeken aan toen ik als veertienjarige in de boekenkast begon rond te speuren.

Als ik mijn motieven om zijn verhaal te vertellen probeer te ordenen, dan begon het met de poging om dat geheimzinnige domein uit mijn jeugd te ontsluiten. Wie was Herman Wolf geweest, waar kwam hij vandaan en hoe kon het dat hij vanaf dat bureau aan de Harmoniehof in contact stond met beroemde schrijvers en denkers? En hoe zat het met zijn joodse achtergrond, wat was hem overkomen in de oorlog? Ik wilde de familiegeschiedenis doorgronden en mijn eigen achtergrond beter leren begrijpen. Want het werd me in de loop der jaren steeds duidelijker dat zijn aanwezige afwezigheid me zeer heeft gevormd.

Tot erfenis geroepen: die ouderwetse frase vat goed een motief samen om deze geschiedenis vast te leggen. Het optekenen ervan vloeit voort uit een gevoel van verantwoordelijkheid: als ik het nu niet doe, doet niemand het meer. Het idee dat de doden van de levenden afhankelijk zijn, is me nadat ik het ergens tegenkwam altijd bijgebleven. Het is waar: als we de doden niet alleen begraven maar ook vergeten, dan zijn ze pas echt dood. Belangstelling voor het verleden is een manier, een niet-religieuze manier, om het verband tussen de levenden en de doden te onderhouden.

Zulke gedachten waren Herman Wolf niet vreemd en in een gedicht van Henry Longfellow, A Psalm of Life uit 1838, zag hij de kern ervan heel goed uitgebeeld. Een van de mooiste stukjes van dit door Goethe geïnspireerde gedicht vond hij: ‘Lives of great men all remind us / We can make our lives sublime, / And, departing, leave behind us / Footprints on the sands of time

De sporen die worden achtergelaten nodigen uit om het gesprek aan te knopen met de doden. Met de bevreemding die me vaker trof toen ik de afgelopen jaren het werk van Herman Wolf onderzocht en de loop van zijn leven probeerde te achterhalen, voelde ik een zielsverwantschap. We moeten er volgens mijn grootvader naar streven conventies te doorbreken en in vrijheid het leven vorm te geven. Zijn ideaal is de mens die vanuit zijn eigen middelpunt alles naar zich toe trekt wat bijdraagt aan zijn verdieping en zich niet laat leiden door alles wat er om hem heen gebeurt. Dat is een nogal hooggestemd pleidooi voor autonomie, waarbij het er uiteindelijk om gaat op basis van eigen intuïtie een weg te vinden.

Daarbij hoort een grensoverschrijdend idee over de filosofie en literatuur, die hij wilde zien als ‘levensmacht’, een manier van denken die zich niet in een discipline laat opsluiten en een brede kring van mensen raakt. Toen ik me gaandeweg realiseerde dat Herman Wolf zich door dat idee had laten leiden, was dat een schok van herkenning. Wat ik in zijn leven en werk terugvond was het romantische verlangen om grenzen te overschrijden en de onaangepastheid die daar het gevolg van is. Maar ook het zoeken naar een samenhang voorbij tegenstellingen en de verleiding van grote woorden die daarbij hoort. En ten slotte trof me zijn hang naar onthechting en alle halfhartige keuzen die daar het gevolg van zijn. Dat staat allemaal dicht, ongemakkelijk dicht bij mijn eigen ervaringen en opvattingen.

Hij probeerde te leven naar het idee van Goethe: „Wat een verschil bestaat er niet tussen wie zich van binnenuit wil ontwikkelen, en wie op de wereld invloed wil uitoefenen en haar voor dagelijks gebruik kennis wil bijbrengen!” Het is natuurlijk moeilijk om werkelijk zo’n zelfstandigheid te verwerven. Want tegelijk kan worden gezegd dat Wolf een kind van zijn tijd was en openstond voor de meest uiteenlopende stromingen en gezichtspunten. Juist omdat hij zo rusteloos en receptief was, vormen zijn leven en werk een bijzondere spiegel waarin de ideeën en ervaringen van zijn generatie kunnen worden opgevangen.

Ik geloof dat de vragen waar Wolf en de zijnen mee worstelden grote betekenis hebben voor onze tijd, en dat is het andere motief dat me tot het schrijven van zijn levensverhaal heeft aangezet. Het was ook een schok van herkenning toen ik jaren geleden las wat Herman Wolf schreef in het fatale jaar 1933, kort na de machtsovername door Adolf Hitler: „Dat is de problematische, ja tragische situatie voor de Humanist in onze dagen: hij is er diep van overtuigd dat het geloof in de enige waarde van het Ras, het Volk, de Partij tot de meest gruwelijke schending van het zuivere en waarachtige menselijke leidt.” Waarin ligt dan de tragische situatie voor de humanistische denker? „Hij kan deze overtuiging niet aan anderen in concrete vormen en symbolen verduidelijken; hij moet steeds weer zien hoe de anderen, die zich beroepen op het Bloed, het Ras, het Volk, de Kerk, de Partij, miljoenen aanhangers, volgelingen en gelovigen vinden en dat men hém beticht van slapheid en halfheid, omdat hij slechts in ‘vage begrippen’ en ‘zwevende termen’ vermag te spreken over de ‘potentiële eenheid’ van het menselijke.”

Ook in onze tijd is deze vraag van grote betekenis. We zien opnieuw de botsing tussen openheid tegenover de wereld en koestering van eigenheid, we zien hoe samenlevingen verdeeld worden tussen zelfverklaarde wereldburgers en zogenaamde kleinburgers. We merken ook in deze tijd – in veel opzichten natuurlijk een andere tijd – dat het moeilijk is om een humanisme vorm te geven dat het beroep op eigenheid overstijgt. Onder humanisme versta ik een pleidooi voor het algemeen menselijke tegenover de gedachte dat cultuurverschillen nooit overbrugd kunnen worden.

Achter die opmerkingen over de tragiek van het humanisme gaat een groot filosofisch en maatschappelijk vraagstuk schuil: laat de geschiedenis stap voor stap een verbetering zien of doemt hetzelfde kwaad in telkens nieuwe gestalte op? Is het geen onderschatting van de vooruitgang om telkens te herhalen dat het vernis van de beschaving heel dun is? Of is die vooruitgang vooral materieel van aard en moeten we vaststellen dat samenlevingen er in moreel opzicht niet beter op zijn geworden? Dat waren vragen die Herman Wolf een leven lang bezighielden. Hij probeerde, soms tegen beter weten in, over die tegenstellingen heen te reiken: „De Humanist is pessimist noch optimist, hij is idealist, dat betekent dat hij tot die mensen behoort, die blijven streven naar het onbereikbare, voor wie de weg méér dan het doel is”.

Toch geloof ik dat de grondtoon van zijn denken – en van zijn tijd – eerder pessimistisch was. Zijn kijk op de wereld werd natuurlijk niet alleen door een filosofisch idee bepaald, maar was verweven met zijn karakter. Zelf zou hij de voorkeur hebben gegeven aan de term ‘persoonlijkheid’. Mijn grootvader had een duidelijk melancholische inslag. Dat zat in de familie: ook zijn vader Simon was een zwaarmoedig mens. Die karaktertrek herkennen we in een vroege beschouwing van Herman Wolf over het leven van de dichter Hugo von Hofmannsthal: „Want is ons dit leven in zijn gebrokenheid geen zinnebeeld geweest van eigen smarten en vertwijfelingen, van eigen leed en moedeloze verslagenheid?”

Wolfs leven en werk is doordrongen van een dwingend inzicht: het humanisme is altijd ook een pessimisme. Daarbij werd hij geïnspireerd door de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer, over wie hij als twintigjarige een grote beschouwing publiceerde. Hij was niet de enige die door deze filosoof diepgaand werd gevormd. Een schrijver als Mann bewonderde het samengaan van „melancholie en mensentrots” in Schopenhauers filosofie. In een tijd waarin menselijke waarden zo werden vertrapt – Mann schreef dit in 1938 – was die combinatie van pessimisme en humanisme van onschatbare betekenis. Herman Wolf zou het hem zo hebben nagezegd.

Bescheidenheid staat voorop in een filosofie die de vergankelijkheid stelt tegenover de hoogmoed van het geloof in vooruitgang. Wolf was een kind van de verlichting én de romantiek, bij hem zien we het conflict in volle hevigheid. Zijn humanisme is natuurlijk allereerst een erfenis van de verlichting. Hij waardeert zeker de gedachte dat een vervolmaking van de mens mogelijk is en dat het ware en het goede zich langzaamaan zullen doorzetten.

Maar hij probeert de weerbaarheid van dat humanisme te vergroten door tegelijk de inzichten van de romantiek een plaats te geven. De filosofen van de verlichting hebben volgens Wolf slechts de halve waarheid in pacht. De romantische kritiek vertegenwoordigt de andere helft: zonder de werking van het onbewuste en een gevoel voor het noodlot begrijpen we niet veel. Zo opgevat is het pessimisme een noodzakelijke correctie op het vooruitgangsgeloof.

We moeten de context waarin deze benadering zich doorzette goed voor ogen houden. De Eerste Wereldoorlog was uitgelopen op een enorme ontnuchtering. Het geloof in vooruitgang van de tweede helft van de negentiende eeuw was vooral gestoeld op de stormachtige ontwikkeling van de wetenschap en technologie. Meer dan ooit waren mensen in staat tot beheersing van de natuur, maar dat bleek niet zomaar samen te gaan met morele verbetering. Het redelijke en het zedelijke botsten hard op elkaar: de massaslachting in de loopgraven maakte voor iedereen duidelijk hoezeer de technische vooruitgang was uitgelopen op een morele ondergang.

Deze bijzondere mengeling van humanisme en pessimisme geeft Wolfs denken een geweldige lading en heeft ook in onze tijd haar zeggingskracht niet verloren. Mijn grootvader was zeker geen zachtzinnige denker: het verval van verdraagzaamheid stond hem helder voor ogen. Scherper in ieder geval dan al degenen die na de oorlog geloofden in het ‘nooit weer’ en zich overgaven aan een steeds leger ritueel van herdenken: „De humanist moge voor velen een al te zachtzinnige en passieve, kleurloze toeschouwer lijken – voor de dieper schouwende is ’t duidelijk dat de humanist een veel moeilijker bestaan heeft dan de volgeling van één bepaalde klasse, sekte of partij. De humanist zal in voortdurend conflict leven met zijn medemensen, die verdraagzaamheid en rechtvaardigheid nu eenmaal niet als hoogste idealen kunnen en willen erkennen.” Die eenzaamheid beschrijft hij hier trots, in de loop van de jaren dertig kwam de tragiek van deze positie in het volle licht te staan.

Deze vragen over humanisme en pessimisme krijgen het meeste reliëf tegen de achtergrond van de oorlogsjaren. Hoe dieper ik doordrong in de levensgeschiedenis van Herman Wolf, hoe meer ik zag dat het standaardverhaal over ’40-’45 waarmee ik ben opgegroeid een grove vertekening is van de werkelijke toedracht. Lange tijd was de bezettingstijd in mijn verbeelding weinig meer dan het tafereel van mensen die angstig achter een gesloten deur en verduisterde ramen zaten te wachten tot het onheil voorbij was; de hongerwinter had wel vijf jaar geduurd. Het was een schok om te horen dat mensen tijdens de bezetting naar hun werk gingen, vakantie hielden, zwemexamen deden, op dansles gingen, kortom, dat het dagelijks leven voor de overgrote meerderheid gewoon doorging.

Naast dat beeld van onderdrukking waren er de monumentale verzetsdaden. Ook de Februaristaking had wel vijf jaar geduurd. Pas langzaam werd duidelijk dat het heldhaftige verhaal van een natie in verzet de kleine en grote meegaandheid verdoezelde. De historicus Jacques Presser noteerde in Ondergang een getuigenis: „Men poogde vaak op de Duitsers vooruit te lopen, teneinde te doen, wat men veronderstelde, dat de Duitsers zouden doen, althans wat men veronderstelde, dat de Duitsers wensten”. Dat is wel eens omschreven als een mensenrecht op lafheid. In ieder geval was het dagelijkse leven in de bezettingsjaren lichtjaren verwijderd van het beeld waarmee ik was opgegroeid.

Zo vergruist het zwart-witbeeld van de oorlog: door al het historische onderzoek is langzaamaan het bewustzijn gescherpt dat de scheidslijn tussen goed en kwaad minder scherp is dan de meesten hebben aangenomen. Het tweeluik van bezetting en verzet dekt de werkelijke toedracht niet. Nederland heeft zich lang, heel lang comfortabel opgehouden in de schaduw van de onvergelijkbaar grotere misdaden van Hitler-Duitsland. Toch moeten andere verhalen worden verteld. De wederwaardigheden van Herman Wolf – zijn verzet tegen de neutrale opstelling van zijn nieuwe vaderland, waardoor de inlichtingendienst zich voor hem begon te interesseren, maar ook het verraad door zijn leermeester, de filosoof Jo Bierens de Haan, tijdens de eerste jaren van de bezetting – vormen een microkosmos waarin alle morele halfhartigheden van die tijd op een pijnlijke manier duidelijk worden.

Pas toen ik de zoektocht naar het leven van mijn grootvader min of meer had afgerond, ben ik naar zijn graf gaan kijken. De as van Herman Wolf is bijgezet op Westerveld, een mooie begraafplaats in de duinen vlak bij IJmuiden. Het was een erg warme zomerdag en weinig mensen waren gekomen om hun dierbaren te bezoeken. Na enig heen en weer lopen vond ik het graf, dat bestaat uit liggende, roodkleurige flagstones: een voor Herman, een andere voor zijn geliefde Rie. En nog een steen zonder tekst: mijn moeder wil dat ook haar as in dit bescheiden familiegraf geplaatst wordt.

Hier op deze kleine heuvel stonden ze dus dicht bijeen. Ze hebben de korte wandeling van het crematorium naar de plek waar de grafsteen zal worden geplaatst achter de rug en overdenken in stilte de toespraken die ze zojuist hebben aangehoord. Ik laat de afstand in de tijd tot me doordringen: het is nu meer dan zeventig jaar geleden dat ze afscheid namen van mijn grootvader. Hij werd gecremeerd op 29 mei 1942, een zonnige lentedag. De bezetting was net haar derde jaar ingegaan en op die dag werd verordonneerd dat Joden niet meer mochten vissen en ook geen visakte mochten bezitten.