De nieuwe vriend V

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal.

Deze week: een verhaal uit de bundel Apocalyps van Arnon Grunberg, die deze week verscheen. Over het huisdier van Marina, en haar vriend Maarten.

ia Marktplaats vond Marina een Rhodesische pronkrug. Weliswaar had de man die de puppy te koop had aangeboden het over een ‘Rhodesian ridgeback’, maar aan dat soort onzin deed ze niet mee; ze had het opgezocht, deze soort werd de Rhodesische pronkrug genoemd. Toen ze de puppy optilde gaf hij haar kusjes, in elk geval dacht ze dat de likjes kusjes waren, en ze werd op slag verliefd. ‘Ik neem hem,’ zei ze tegen de man die bezig was een langdurige verhandeling te houden over de Rhodesian ridgeback, waarnaar ze niet goed meer kon luisteren omdat ze verliefd was geworden en omdat ze hoe dan ook niet zo van lange verhandelingen hield.

Marina werkte vier dagen per week als doktersassistente. De huisarts had tegen haar gezegd: ‘Als patiënten bellen en te lang doorzeuren, moet je gewoon zeggen: “Neem een paracetamolletje en ga met een kruik in bed liggen.”’ Om het zekere voor het onzekere te nemen zei Marina dat al voordat de patiënten begonnen met zeuren; als het allemaal niet zo ernstig klonk adviseerde zij een kruik en paracetamol. Ze vond dat ze de huisarts een beetje moest beschermen: die man had het druk genoeg.

Marina had een vriend, Maarten, een knappe lange jongen met wie ze sinds een maand of tien samenwoonde in een flatje in Amsterdam-Noord. Hij was schilder en timmerman, en in de zomer ook tuinman, want hij kon veel met zijn handen. Ze was gevallen op zijn uiterlijk en daar viel ze nog steeds op. Vermoedelijk kwam het ook door zijn uiterlijk dat ze er heel lang over had gedaan, een maand of acht, om te ontdekken dat ze een vriend had met een gebruiksaanwijzing. Zo had hij een hekel aan meubilair. Ze had verschillende pogingen gedaan een eettafel aan te schaffen maar Maarten had steeds weer gezegd: ‘Als we nog meer meubilair in huis halen wordt het hier bedompt. Dan krijg ik geen lucht meer.’

Dus aten ze staand in de keuken, waar haar vriend de voorkeur aan gaf. Soms op de bank, want een bank hadden ze wel, een grote witte leren bank, of in bed, ze hadden ook een bed.

Marina reed naar huis met haar hond, die volgens de man Stuart heette maar die ze Tommie zou gaan noemen, want Stuart was geen naam voor een hond, dat was hooguit een naam voor een hagedis of eventueel voor een wurgslang; ze had vóór Maarten een tijdje verkering met een man die een wurgslang in een gigantisch terrarium in de kelder had staan. Lang had die relatie niet geduurd, want die man had zijn terrarium interessanter gevonden dan Marina.

En nu had ze dus Maarten. Haar ouders waren dol op hem, al had haar vader wel de gewoonte haar vriend ‘de autist’ te noemen, maar gelukkig niet waar Maarten bij was.

Terwijl ze over de snelweg reed zong ze de hele tijd: ‘Tommie, Tommie, Tommie, Tommie’, en ze vroeg zich af hoe ze haar hond en haar vriend aan elkaar zou laten wennen want Maarten was niet dol op verandering.

Die avond kookte ze iets makkelijks: kip met rijst en saus uit een potje waarop Chicken Tonight stond, daar was Maarten dol op. Je had die saus ook in andere smaken, maar die vond Maarten niet lekker.

Toen haar vriend thuiskwam zette ze de maaltijd meteen op het aanrecht klaar om hem gunstig te stemmen.

Nadat ze ook een glas cola voor hem had neergezet – hij dronk het liefst cola bij het eten – zei ze: ‘Kijk.’

‘Wat is dat?’

‘Tommie,’ zei ze.

‘Het beweegt.’

‘Het is een Rhodesische pronkrug. Weet je hoe oud hij is?’

‘Wie laat hem uit?’ vroeg Maarten.

‘Ik,’ zei ze.

Maarten keek even naar de hond, hij lachte hard en daarna zei hij niets meer, hoewel Marina nog wel haar best deed hem te verleiden tot een gesprek. Hij at zwijgend en snel zijn rijst met kip, dronk de cola en ging toen weg. Soms ging hij weg, zo was hij. Als de veranderingen hem te veel werden, dan ging hij wandelen, vissen, naar de sportschool. Naar de kroeg ging hij niet, daar hield hij niet van. Hij was geen sociale drinker.

Marina ging voor de tv zitten met Tommie op haar schoot. ‘Wat ben je mooi,’ zei ze. ‘Wat ben jij een mooie hond. Jij bent mooier dan Maarten maar dat moet je nooit tegen hem zeggen.’

Net toen het tot haar doordrong dat ze geen hondenvoer in huis had, belde haar vader. ‘Hoe is het met de autist?’ vroeg hij.

‘Ik heb een nieuwe vriend, hij komt uit Rhodesië en hij loopt op vier poten.’

‘Wanneer komt de autist mijn schuurmachine terugbrengen?’ vroeg haar vader.

‘Pappie, ik heb een nieuwe Rhodesische vriend.’

‘Rhodesië bestaat niet meer, ik wil dat de autist eindelijk mijn schuurmachine terugbrengt.’

Ze hing op. Soms was er met haar vader geen land te bezeilen.

Om half twaalf was Maarten nog niet thuis. Marina poetste haar tanden en ging met haar nieuwe vriend in bed liggen. Het was al licht toen ze haar vriend hoorde thuiskomen.

Later zou Maarten tegen een collega zeggen: ‘Als er een man in bed had gelegen had ik me niet in kunnen houden, maar met honden vecht ik niet.’