Bussemaker: prestaties belangrijker bij verstrekken kunstsubsidies

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker (midden) bij de opening van de Mondriaan-tentoonstelling in Moskou, die onderdeel is van de Dutch Days in de Russische hoofdstad. Foto ANP / Sergei Ilnitsky

Musea, orkesten, theater- en dansgezelschappen zullen in de toekomst meer afgerekend worden op hun prestaties. Om in de volgende subsidieperiode, vanaf 2017, subsidie te krijgen zal juist minder naar de toekomstplannen worden gekeken.

Dat schrijft minister Jet Bussemaker (Cultuur, PvdA) in een brief over het Cultuurstelsel 2017-2020 aan de Tweede Kamer. Ze denkt aan kwantitatieve eisen zoals bezoekersaantallen, aantal voorstellingen, publieksbereik en eigen inkomsten.

Daarnaast wil de minister dat de culturele instellingen zelf hun kwalitatieve prestaties nauwkeuriger gaan bijhouden, zodat ze beter kunnen aantonen wat hun waarde is voor de samenleving. Daarbij gaat het om publiekswaardering, cultuureducatie, talentontwikkeling, internationaal belang en waardering door scholen.

‘Bewezen prestaties garantie voor de toekomst’

De Raad voor Cultuur moet in de gaten houden hoe de culturele instellingen op deze criteria presteren en die informatie gebruiken bij de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de vierjarige periode die in 2017 begint. Nu zijn de toekomstplannen, die door de Raad van Cultuur worden beoordeeld, vaak bepalend voor de toekenning. “Bewezen prestaties bieden garantie voor de toekomst”, schrijft Bussemaker in de brief. De door musea, orkesten, theater- en dansgezelschappen ingediende toekomstplannen zijn volgens haar vaak te ambitieus.

Als de geleverde prestaties belangrijker worden dan de plannen, kan volgens Bussemaker de toekenningsprocedure eenvoudiger worden gemaakt. Bovendien wordt het dan volgens haar mogelijk slecht functionerende instellingen eerder aan te moedigen hun prestaties te verbeteren.