Strijd tegen bonuscultuur bij banken verloopt moeizaam

Van alle zonden waar bankiers van worden beticht, roept graaigedrag het meeste verontwaardiging op. Dé bankier die het etiket ‘graaier’ waarschijnlijk zijn leven lang niet meer kwijtraakt is Rijkman Groenink, de vroegere topman van ABN Amro die een vertrekpremie van 16 miljoen euro kreeg. Terwijl zijn bank ten onder was gegaan in een overnamestrijd, en later genationaliseerd moest worden. Samengevat: zelfverrijking over de ruggen van de belastingbetaler en duizenden werknemers die hun baan verloren.

Na het uitbreken van de kredietcrisis werd de bonus aangemerkt als de bron van veel kwaad. Bankiers waren veel te grote risico’s aangegaan om hun prestatiebeloningen op te schroeven en hebben zo de banken in gevaar gebracht. Perverse prikkels, heet dat in jargon. Politici willen die prikkels wegnemen, maar dat gaat zomaar niet.

Het Europees Parlement besloot dit voorjaar dat de bonussen van bankiers voortaan maximaal een jaarsalaris mogen bedragen, en dat ze pas na vijf jaar mogen worden uitbetaald. Maar de bankenlobby uit met name de Londense City heeft de nieuwe regels kunnen afzwakken: twee keer het jaarsalaris blijft mogelijk als een grote meerderheid van de aandeelhouders dat goedkeurt. Verder worden de bonussen, als ze uiteindelijk worden uitbetaald, gecorrigeerd voor inflatie. Critici vrezen dat de beperking van de bonus uitnodigt tot het verhogen van het basissalaris.

Minister Dijsselbloem wil verder gaan dan Brussel: hij wil een maximumbonus van 20 procent van het jaarsalaris voor Nederlandse banken. Hierin vindt hij onder anderen zijn voorganger Gerrit Zalm tegen zich. De huidige topman van ABN Amro pleit ervoor dat bankiers die voor Nederlandse banken in het buitenland werken hun bonus mogen houden. Anders vertrekken ze naar de concurrent, vreest hij.