Zat de AIVD achter de moord op Theo van Gogh?

Een hutspot van feiten en fictie rond een complexe samenzweringstheorie, het is het handelsmerk van Tomas Ross (69). In zijn faction-romans lost de thrillerschrijver geschiedkundige mysteriën op, zoals de Greet Hofmans-affaire, de val van Srebrenica en de dood van Mathilde Willink.

Op z’n best schrijft Ross onderhoudende lectuur: suspense losjes gebaseerd op de realiteit. Zou die vrijblijvendheid de schrijver langzamerhand zijn gaan ergeren? Wilde hij nu eens serieus worden genomen als een moderne historicus, iemand die tegels licht in een geruchtmakende moordzaak? Wie Tomas Ross leest, gaat als vanzelf complotdenken.

De tweede november, het 65ste boek van Ross, heeft als ondertitel ‘Wie zat er achter de moord op Theo van Gogh?’ Samengevat in tien woorden: Mohammed B. was een marionet in handen van de AIVD.

In zijn verantwoording legt Ross uit dat hij bevriend was met Van Gogh. De laatste film die de regisseur voltooide, het postuum uitgebrachte 06/05, was een bewerking van De zesde mei, een thriller van Ross waarin de BVD achter de moord op Fortuyn zit. Direct na de moord op Van Gogh dacht Ross nog dat zijn vriend was vermoord door een dolgedraaide fanaticus. Hij veranderde van gedachten, schrijft hij, na het zien van een documentaire van journalist Stan de Jong en actrice Katja Schuurman uit 2005, waarin allerlei veronderstellingen worden geuit over een mogelijke rol bij de moord van de AIVD – waarvan de voorlichter overigens een ‘mislukte journalist’ is met de naam ‘Arjen Ribbens’. Daarna bevraagt Ross zichzelf in zijn verantwoording af: ‘Mag een auteur die zijn roman baseert op historische feiten en personages afwijken van de werkelijkheid? Natuurlijk. Zolang hij of zij die werkelijkheid niet verdraait of geweld aandoet. De feiten zijn heilig.’ Huh? Afwijken van de werkelijkheid is dus toegestaan mits je maar bij de werkelijkheid blijft?

Vervolgens somt Ross de ‘feiten’ op waarop zijn thriller is gebaseerd. ‘Feiten’ die van veronderstellingen aan elkaar hangen, zoals meestal het geval is bij pogingen om machinaties van geheime diensten te ontmaskeren. Die verantwoording maakt De tweede november een beetje pathetisch – Ross zal toch niet echt geloven dat de moorden op Fortuyn en Van Gogh met elkaar zijn verbonden, met een cruciale rol voor Mat Herben en de Joint Strike Fighter?

De tweede november is vlot geschreven en bevat een aantal mooie karakters, maar het onwaarschijnlijke complot en de ingewikkelde kuiperijen irriteren. Net als de vele toevalligheden in het boek, zoals de journaliste van De Telegraaf die door iedere passant herkend wordt, zelfs als ze met een pruik en zonnebril de straat op gaat.

Geloofwaardig is wel weer de wijze waarop Ross in het hoofd van Theo van Gogh kruipt. Het provocatieve gevloek en getier van de regisseur is overtuigend geïmiteerd. En geestig is de wijze waarop Van Gogh het ‘thrillerschrijvertje’ bespot, wiens boek over de moord op Fortuyn hij aan het verfilmen is. Iets meer van de ironie die Ross op die momenten tentoonspreidt, zou zijn boek goed hebben gedaan.

Arjen Ribbens