Wie nu alleen is ... Wie nu alleen is ...

Niet de lente, maar de herfst is het seizoen om de liefde te vinden, schrijft Jan Drost. Maar welke openingszin leent zich voor dit jaargetij?

foto ANP

In zijn gedicht Herfstdag schrijft de Duitse dichter Rilke: Wie nu geen huis heeft, bouwt er geen meer. Wie nu alleen is, zal het lang nog blijven, zal waken, lezen, lange brieven schrijven en rusteloos door lege lanen dwalen

als de bladeren op de herfstwind drijven.’

Als hij gelijk heeft, mogen de vrijgezellen onder ons wel opschieten, als zij niet al te laat zijn. Want de zomer is nu echt voorbij. Dat voel je, dat zie je. Wij denken vaak dat de lente het seizoen van nieuwe liefdes is, maar dan vergeten we de herfst. Die woelige overgangsperiode van zomer naar winter, van warmte naar kou, van licht naar donker, van lange dagen naar lange nachten, is bij uitstek de tijd om iemand te zoeken om ons mee schrap te zetten tegen storm en regen en een behaaglijk nestje te bouwen.

Dat wij de lente doorgaans als het liefdesseizoen zien, is begrijpelijk, aangezien de lente overloopt van vruchtbaarheid, van bloemetjes en bijtjes. Maar het voortbestaan van de soort is niet het enige dat ons naar elkaar toe drijft. Er zijn ook andere drijfveren, weemoediger motivaties, die ons naar elkaars nabijheid doen verlangen.

Als het leven om ons heen zich terugtrekt, als een houtskooltekening zo karig wordt, dichte vachten kweekt, nootjes verzamelt en ondergronds gaat, is het niet zo vreemd dat dit iets met ons doet. Dus willen ook wij ons op de een of andere manier bergen tegen wat komen gaat. En hoeveel liever doen we dat met iemand samen. Dus wie nu nog alleen is en dat niet wil blijven, moet haast maken.

Overwinternest

Liefde en haast gaan echter slecht samen. We kunnen niet zomaar iemand van de straat plukken en meeslepen naar ons overwinternest. Er zal eerst kennisgemaakt moeten worden. We zullen iemand moeten aanspreken. En daar is moed voor nodig. Dat is nooit anders geweest. Maar door onze manier van leven zijn de afstanden tussen ons groot geworden, als gevolg waarvan wij steeds vaker vreemden voor elkaar zijn. Daarom vergt het aanspreken nu wellicht een buitengewone mate van over de brug komen.

Gesteld dat we het aandurven, hebben we een goede openingszin nodig. We moeten iets zeggen. Is die hobbel genomen, dan volgt de tweede: we moeten de zin hardop uitspreken. Weet je wat? Kan ons het schelen, we wagen het erop. We stappen op die leuke vreemde af, doen onze mond open en verrek, het komt er nog enigszins acceptabel uit ook, zonder raar gegiechel of overslaande stem. Het moeilijkste is achter de rug, denken we opgelucht. Maar dan opeens zien we de lange draden die uit de oren van de ander komen. Hij heeft ons niet verstaan: hij draagt een koptelefoon.

Toen ik twaalf was, in de tijd van de walkman, noemde iedereen dat ding op je oren een koptelefoon. Nu heet het een hoofdtelefoon, wat beschaafder klinkt, of ‘oortjes’, alsof het hier om het ware horen gaat. Blijkbaar zijn we gaan accepteren dat we onze oren voor elkaar dichtstoppen, vinden we dat niet meer asociaal. Misschien omdat we zijn gaan denken dat we ook op ons eentje mens kunnen zijn.

Hoe dat ook zij, als het om liefde gaat willen we nog wél eens naar een ander verlangen. Maar behalve dat het moed vergt een volmaakte vreemde aan te spreken, is er voor eenentwintigste-eeuwse liefdeszoekers dus nog een obstakel bijgekomen: de koptelefoon. Steeds vaker blijven de eerste woorden die wij tegen een ander uitspreken ongehoord.

Met name voor de schuchtere zielen onder ons is dat problematisch. Tegenwoordig moeten we alles minstens twee keer zeggen. Ga er maar aanstaan, als één keer je mond opendoen al bijna niet te doen is. Maar om niet in herfstige zwaarmoedigheid weg te zinken, zal ik proberen een lichtpuntje te ontsteken in de hedendaagse hardhorendheid.

De invloed van de mp3-speler en andere geluidsdragers moet niet worden onderschat. Bijna iedereen heeft er tegenwoordig een en loopt er de hele dag mee rond. Onze waarnemingen, gevoelens, gedachten en handelingen worden begeleid door de muziek die in onze oren klinkt.

Daardoor begint ons leven op een film te lijken en wordt de muziek waarnaar we luisteren filmmuziek. Maar als ons leven op een film lijkt, moet er natuurlijk wel iets gebeuren. Wat gebeurt er in een film? Dat ligt er maar aan wat voor films je gewend bent. Comedy’s? Romantische films? Seksfilms? Vechtfilms? Horrorfilms?

Ons leven als een film beleven, leidt er algauw toe dat wij onszelf in de hoofdrol zien. En dat andere mensen de figuranten in onze film worden. Maar misschien is de muziek hierbij van beslissender invloed. Als de muziek die ons doen en laten begeleidt een soundtrack bij ons leven is, dan maakt het nogal verschil naar welke muziek we luisteren. Tenslotte zet niet alle muziek ertoe aan, een bejaard dametje te helpen oversteken. Zo bekeken lijkt de mp3-speler een nieuw soort egocentrisme in de hand te werken, neigend naar solipsisme. Waren we vroeger goden in het diepst van onze gedachten, nu zijn we de steracteurs en –actrices in de film die ons leven heet.

De vraag die ertoe doet

Waar blijft het beloofde lichtpuntje? Hier komt het. Dat degene die wij aanspreken een koptelefoon draagt, kan namelijk ook het begin van een goed gesprek zijn – gesteld dat de ander bereid is zijn oren voor ons vrij te maken. In plaats van ‘Wil je wat drinken?’ of ‘Ken ik jou niet ergens van?’ zou de (tweemaal uitgesproken) openingszin van de toekomst weleens kunnen zijn: ‘Waar luister je naar?’

Het antwoord op die vraag kan een uniek inkijkje geven in de persoon die we tegenover ons hebben. Stel dat die zijn koptelefoon afzet, of een oortje uittrekt, en we nog net horen dat we hem storen in pompende gangstarap vol bitches, ho’s en mothafuckas. Dat kan ons aan het denken zetten over de hoofdrol die deze persoon voor zichzelf ziet weggelegd.

En, niet onbelangrijk, over de (bij)rol die wij eventueel zouden spelen. Maar het blijft een kwestie van smaak. Anderen zullen het eerder benauwd krijgen van ‘I want to sex you up’ of een nog net opgevangen ‘And I wil always love you’. Niet iedereen vindt het aangenaam om al bij de eerste kennismaking met opseksen of eeuwige liefde om de oren te worden geslagen.

De eerste indruk krijgt zo iets weg van een auditie. Krijgen we de rol of niet? Bij het zoeken van een geliefde kan het dus lonen om rekening te houden met de muziek die uit zijn of haar mp3-speler komt. Die vertelt ons wellicht iets over de film waarin hij of zij zich waant. En, als we eropuit zijn dat de ontmoeting op een liefdesfilm uitdraait, welke rol de ander daarin voor ons ziet weggelegd. In welke film willen wij het liefste spelen?

Deze herfst zullen de regenachtige straten worden bevolkt door mensen die zich bij elke stap die zij zetten laten begeleiden door hun zelfgekozen soundtrack.

Wil je weten wat voor liefdesfilm jou met deze of gene te wachten staat? Houd dan je oren open, en stel de enige vraag die ertoe doet: ‘Waar luister je naar?’

Twee keer, als je durft.