Waarom romans er zo toe doen

Cultuurpessimisten geven de roman weinig toekomst. Daar is geen reden toe. Bas Heijne graaft in zijn nieuwe boek de romans van Couperus af, en leert hem dan pas echt kennen.

Het leek zo’n goed idee: een serie boekjes maken, pamfletten haast, waarin hedendaagse schrijvers en critici van formaat zich mogen uitspreken ‘over de roman’.

Een chique redactie, steun van fondsen, samenwerkende uitgevers, en toch wil het maar niets worden met die serie ‘Roman’. Dat ligt niet aan de auteurs, die hun uiterste best doen zich uit te spreken over de toekomst van de roman in tijden van ‘culturele transformatie’. Het ligt aan de vraagstelling.

Een plaatsbepaling van de roman in de ‘spektakelmaatschappij’ is een opdracht die onafwendbaar blijkt te leiden tot zwartkijkerij, cultuurpessimisme en op zijn best tot nostalgie. Ook Oek de Jong ontkomt daar niet aan in Wat alleen de roman kan zeggen, het vijfde deel van de reeks. Al zegt hij open te staan voor alle kunstvormen die geen roman zijn, en zelfs voor de zegeningen van YouTube, de strekking blijft toch dat alles vroeger beter was.

Niet alleen Oek zelf zat als kind achterin de Renault met rooie oortjes te lezen. In de jaren vijftig waren we allemaal ‘kinderen van de roman’, in tegenstelling tot ‘huidige jongeren’. De Jongs idealiserende blik op het verleden strekt zich uit tot de literaire traditie: alleen ‘de allerbeste’ romans van ‘ware schrijvers’ zijn overgeleverd, zo verzekert hij ons keer op keer, blijkbaar niet twijfelend aan zijn eigen vermogen om te weten wat het ‘allerbeste’ is, en al helemaal niet aan de universaliteit van die kwalificatie.

Zoals alle cultuurpessimisten bevindt ook De Jong zich in een paradoxale positie. Hij weet dat de westerse beschaving haar eigen verval al vanaf haar ontstaan heeft betreurd, net zoals hij weet dat cultuur per definitie dynamisch is. En hij realiseert zich zelfs dat je maar moeilijk kan oordelen over datgene waar je middenin staat. Dus plaatst hij ineens het woord ‘verval’ tussen relativerende aanhalingstekens, of verwijt hij de Chinese schrijver Mo Yan dat die Flaubert leest. De ‘allerbeste’ romans blijkt dan toch ineens een relatief begrip.

Zo is zijn essay een nogal zwalkende verkenning geworden, waarbij uiteraard geen antwoord komt op de vraag waarom de roman blijkbaar niet meer kan beantwoorden aan hedendaagse eisen en verlangens, en wat haar te doen staat.

Gelukkig hoeft dat ook helemaal niet, eerder dit jaar gaf De Jong immers al heel eloquent antwoord met zijn magistrale Pier en Oceaan. Romans schrijven is nu eenmaal wat romanschrijvers het beste doen. Dus wordt Wat alleen de roman kan zeggen het mooist wanneer Oek de Jong vertelt over zijn eigen werkwijze, zijn obsessies, zijn voorkeuren. Dan verlaten we de platgetreden paden van de usual suspects van de westerse romanpoëtica en de bijbehorende clichés en komen we te spreken over levende teksten, in de maak bij de schrijver zelf, en bijvoorbeeld over zijn voorkeur voor het intieme en erotische in romans, voor ‘zintuiglijk’ proza, waar hij mooie voorbeelden van geeft.

Pas wanneer de schrijver zijn zware opdracht naast zich neerlegt, wordt het spannend. Hetzelfde geldt voor eerdere delen van de reeks. Zo vertelde A.F.Th van der Heijden in Kruis en Kraai (deel 1) hoe hij zijn eerste roman schreef op behangrollen in een soort creatieve stroom die blijkbaar te groots was voor de grenzen van het papier.

En Bas Heijne was in Echt zien (deel 4) verreweg het meest overtuigend wanneer hij persoonlijk werd en over zijn liefde voor het oeuvre van Louis Couperus schreef. De vraag waarom uitgerekend Couperus hem, meer dan eeuw later, het meest te vertellen heeft, werkte Heijne uit in zijn nieuwe boek: Angst en schoonheid: Louis Couperus en de mystiek der zichtbare dingen. Bevrijd van de loden last om zich te moeten uitspreken over de mogelijkheden van de roman, schrijft Heijne met overtuigende lichtheid precies daarover.

Zijn beschouwing voert vanzelfsprekende arabesken uit: van de romans, naar de personages van Couperus, via het kosmopolitische en eenzame leven van de auteur, en weer terug naar de romans. Uit de biografie gebruikt Heijne wat hij kan, uit de romans wat hem boeit, van de personages degenen die hem iets te vertellen hebben, en zo selecteert hij met een gezag dat je alleen verwerft na tientallen jaren met een oeuvre te hebben doorgebracht.

Daarbij hanteert hij een verfrissend gebrek aan eerbied voor de gebruikelijke grens tussen biografie en tekstbeschouwing: hij benadert de romans via de auteur, daarbij dankbaar puttend uit de biografie van F.L. Bastet (maar wonderlijk weinig uit de rest van de omvangrijke Couperus-literatuur).

Omgekeerd zet hij de romans in, zonder ze te reduceren tot autobiografie, om te begrijpen wat er schuil gaat achter Couperus’ voortdurende gedaanteverwisselingen. Couperus was ‘radicaal onthecht’, discreet en zijn brieven onpersoonlijk: ze verbergen ‘alles wat hem tot schrijver maakt’.

Heijne’s reactie daarop is: zo persoonlijk mogelijk worden. Hij graaft het oeuvre af tot hij uitkomt bij ‘het antwoordloze waarom’ dat Couperus drijft. Als Leonie in De Stille kracht met sirih, betelpeper, wordt bespat, blijkt dat van alles te maken te hebben met Couperus’ eigen angsten, als kind in de Indische badkamer, en later als volwassen man.

Zonder al te veel te psychologiseren, suggereert Heijne wel veel verband tussen Couperus’ homoseksuele gevoelens en de romans die hij schreef: hij bewaarde zijn gevoelsleven voor zijn verbeelding, en schermde zich zodoende af van de alledaagse werkelijkheid.

Door zich zo in te leven in wat de schrijver beweegt en wat hij doet, laat Heijne terloops zien waarom literatuur werkt: zij kan ‘onze verlangens vormgeven, de chaotische wereld om ons heen interpreteren, ons een beeld vormen van ons eigen leven’. Daarmee geeft hij nét een ander, meer op de wereld gericht antwoord dan Oek de Jong gaf, voor wie de roman vooral inzicht in het innerlijk biedt, en een ‘peilen van steeds diepere en diepere lagen van het leven’.

Dat de romans die ons bewustzijn kunnen vergroten al een eeuw geleden geschreven zijn in een compleet andere culturele context, is geen enkel probleem, stelt Heijne: ‘Den Haag is overal’. Zo ligt de toekomst van de roman in haar verleden.