Vechtjassen tegen Oranje, regenten, VOC en de kerk

Johan de la Court schreef in de 17de eeuw lijvige geschriften. Vernietig ze, zei hij bij zijn dood. Zijn broer deed dat niet. Beiden bepleitten inspraak van burgers.

Johan de la Court was een zondagskind, zoals de Gouden Eeuw ze bij duizenden voortbracht. Hij werd steenrijk in de textiel en hield veel tijd over voor zijn liefhebberij: schrijven over politiek, zonder daarvan ooit iets te publiceren. Bij zijn vroege overlijden in 1660 – hij was nog maar zevenendertig – liet hij duizenden bladzijden manuscript achter. Op zijn sterfbed drukte hij zijn vier jaar oudere broer en zielsverwant Pieter op het hart niets van wat hij had geschreven uit te geven. Pieter deed het toch. Hij redigeerde de teksten van Johan, voegde er naar believen zijn eigen ideeën aan toe, en stuurde ze onder raadselachtige, maar voor ingewijden makkelijk te herleiden initialen als ‘VH’ de wereld in. VH stond voor ‘van den hove’ een vernederlandsing van hun Franse achternaam.

Tussen 1660 en 1672 liet Pieter het ene lijvige geschrift na het andere verschijnen. Bij elkaar zijn ze een levendig en radicaal commentaar op de verhitte verhoudingen in de Republiek.

Onder aanvoering van Johan de Witt was de macht van de Oranjes voor ‘eeuwig’ tot zo goed als nul gereduceerd. De Republiek werd gerund door een goed voor zichzelf zorgende handelselite. Wat goed is voor de handel, is goed voor de Republiek – dat is wat de regenten elkaar en de buitenwereld wijsmaakten. Aanhangers van de Oranjes en ook de rechtzinnige calvinisten voelden zich door de snelle aristocratisering van het politieke leven bedreigd. Niet ten onrechte. Maar voor de Witt en de aristocratie braken in 1672 moeilijke tijden aan in 1672, het Rampjaar. Dit bracht de Oranjes weer aan het bewind en kostte Johan de Witt zijn leven.

De gebroeders De la Court lieten er geen misverstand over bestaan aan welke kant ze stonden. Elke vorm van eenhoofdige, erfelijke macht was ongewenst – persoonlijk kwaliteiten moesten voorop staan. De kerk mocht het in de politiek nooit voor het zeggen krijgen, sterker nog, een regering deed er goed aan om de kerk zoveel mogelijk aan banden te leggen.

De gebroeders werden, en worden nog steeds, gezien als brave buiksprekers van het bewind van Johan de Witt. Maar dat waren ze slechts ten dele, zoals blijkt uit de aantrekkelijke studie De radicale Republiek van Arthur Weststeijn. Johan de Witt zag de propagandistische waarde van de boeken van de broers, maar was niet helemaal gerust op hun oordeel. Hij liet zich in 1662 de drukproeven bezorgen van wat naderhand als hun belangrijkste werk werd gezien: Interest van Holland. Met zijn bekende precieuze handschrift bracht De Witt correcties aan, en greep vooral hard in waar de De la Courts te kritisch waren over de uitwassen van het regentendom.

Dit schetst de verhoudingen. De gebroeders waren op de hand van De Witt, maar bleken onafhankelijke denkers. Ook waren ze behendige stilisten. Hun boeken, die wemelden van de vermakelijke anekdotes, werden door vriend en vijand verslonden.

Veel ideeën ontleenden de gebroeders aan de klassieken en aan Erasmus en Machiavelli, maar ze gaven er een eigen draai aan om de grote vraag van hun tijd te beantwoorden: hoe kan de Republiek nog sterker en machtiger worden dan ze al is?

Weststeijn geeft een intrigerend tableau van de potentiële succesformules die door de broers werden uitgedacht. Ze waren opvallend democratisch – hoe meer verstandige burgers deelnamen aan het bestuur, hoe beter. Maar het voorbehoud ‘verstandig’ woog zwaar. Verstandig hield ook in: bemiddeld. Arme mensen waren onbeschaafd, dom, onbetrouwbaar. Een bloeiende republiek werd gerund door mensen die bedreven waren in het najagen van hun eigenbelang. En die moesten zoveel mogelijk vrijheid van handelen hebben.

Het is alsof we een pleitbezorger van het moderne casinokapitalisme horen. Maar daar zat wel een rem op. Uiteindelijk ging het algemene belang boven alles. En voor de broers was dat het algemeen belang van het gewest Holland. Voor hen mocht de Republiek krimpen tot het gebied van het tegenwoordige Noord- en Zuid-Holland, met nog een klein strookje van de provincie Utrecht. Pieter deed in 1669 zelfs een serieus voorstel om een gracht van 40 meter breed te graven vanaf Muiden tot aan de Maas bij Heusden. Hij leverde meteen een begroting mee: voor 2,5 miljoen gulden kochten de Hollanders eeuwigdurende veiligheid. De verovering van ’s-Hertogenbosch in 1629 had bijna het tienvoudige gekost, merkte hij fijntjes op.

De gebroeders dachten onvermoeibaar tegen de stroom in. De VOC vonden ze maar een inefficiënte ambtenarij, een monopolist die zijn eigen concurrentiekracht ondermijnde. De handel moest vrij zijn. De kerk kon zich in zaken van handel en politiek beter afzijdig houden. De staat stond boven de kerk en moest vooral garanderen dat iedereen zijn eigen religiositeit kon beleven. Dat is goed voor de immigratie, en immigratie is goed voor de zaken.

Weststeijn laat zien dat de broers een opvallend coherente visie op een rationeel opererende handelsrepubliek hadden, waarin eigenbelang en publiek belang behendig aan elkaar werden geknoopt. Ze werden later nog veel gelezen en geciteerd door liberale denkers als Bernard Mandeville en Adam Smith.

In hun eigen tijd riepen hun ideeën steeds meer weerstand op. Het regende pamfletten waarin vooral hun anti-orangisme en religieuze tolerantie werden gelaakt. Pieter vluchtte nog voor de val van De Witt naar Antwerpen. De utopie van een eeuwig veilige en steeds rijker wordende Republiek spatte uiteen. Een jaar later keerde hij terug, maar liet zich niet meer horen. Hij ging zich wijden aan tuinieren.