Van de boze meren des doods

In West-Kameroen vond bijna dertig jaar geleden een mysterieuze ramp plaats. Hoe konden zoveel mensen sterven? Mythes, onderzoek én complottheorieën genoeg.

Slachtoffer van de ramp bij het Nyosmeer in West-Kameroen Foto Hollandse Hoogte

Het is 21 augustus 1986: en het lijkt alsof er een neutronenbom is gevallen in de vallei rondom het Nyosmeer in West-Kameroen. 1746 mensen zijn dood, 3952 koeien, 3404 kippen, 552 geiten, 337 schapen, 82 honden, 8 katten, 7 paarden en 2 ezels. Een heel dorp is uitgeroeid op twee overlevers na – van wie er een met verschroeide longen verder door het leven moet. Hoewel geschiedschrijvers spreken van ‘het Hiroshima van Kameroen’ en Newsweek in een artikel over de ramp opmerkte dat de gewonden buiten het fatale dorp om (659 mensen) eruit zien als de ‘overlevenden van een chemische oorlog’, is het landschap nog groen.

De doden liggen erbij alsof ze gestikt zijn, sommigen hebben bloed rondom neus en mond. Enkelen hebben hun kleren afgerukt alsof ze het gevoel hadden in brand te staan; blaren staan nog op hun lichaam. Er zoemen geen vliegen rondom de lijken, zelfs die hebben de ramp niet overleefd. Zwitserse medewerkers van Save the Children gaan vergeefs op zoek naar wezen, journalisten maken foto’s van de doden en de restanten in de vorm van huisgerei, koud geworden soep en speelgoed. Het Nyosmeer krijgt in 2008 de dubieuze eer om opgenomen te worden in het Guiness Book of Records als het dodelijkste meer op aarde.

Lange tijd blijft volkomen onduidelijk wat er is gebeurd, waardoor er ruimte is voor mythevorming, complottheorieën en voor vele verhalen. En dat is waarmee Frank Westerman in zijn deze week verschenen nieuwe boek Stikvallei aan de slag gaat. Wie kan het meeste licht werpen op wat er toen gebeurde, en hoe keek en kijkt men tegen de ramp aan?

Lucas 13:5

Aan het woord komen de ‘mythedoders’ (dat wil zeggen: wetenschappers), de mythebrengers (de missionarissen) en de mythemakers (de Afrikanen). Westerlingen zoeken naar de oorzaak, Afrikanen naar de reden, ondertussen vliegt iedereen elkaar in de haren.

Zo is er de Franse vulkanoloog Haroun Tazieff, een fenomeen. Hij eet graag rauw vlees; heeft geen geduld voor schaken maar houdt wel van snelschaken; heeft een afkeer van recreatieve sporten, maar houdt wel van competitie. Hij is dan ook de eerste die met een verklaring komt: actief vulkanisme heeft geleid tot een dodelijke uitstoot van CO2.

‘Gratuite flauwekul,’ zo oordeelt de IJslandse wetenschapper Haraldur Sigurdsson. Een IJslander hoef je niets te vertellen over ‘het sluipmoordvermogen van kooldioxide’. Hier is geen sprake van actief vulkanisme, maar van een volstrekt onbekend natuurverschijnsel: onopgeloste CO2 zit als een gasbel onder water en vormt daar een ware tijdbom.

Ondertussen weten anderen dat het de schuld van de Israëliërs is: ze hebben met medeweten van Biya, de president van Kameroen, stiekem kernproeven gedaan. Dit zou voor de regering van Kameroen de ideale methode zijn om genocide te plegen op de Engelstalige bevolking van Nyos. Een sterilisatieplan onder vrouwen tussen de 14 en 30 jaar was enkele jaren daarvoor mislukt, en nu nam Biya wraak. Kameroen moet een eenheid worden en om dat te bereiken moet alles wat Engelstalig is uitgeroeid worden. Behalve de Israëliërs zouden ook alle agenten uit Frankrijk en de Verenigde Staten in het complot zitten, en maken de wetenschappers eveneens deel uit van de samenzwering.

Anderen vragen zich af of er sprake is van wraak: drie eeuwen geleden was er een volk belazerd en waren alle jonge mannen verbrand, de geesten zijn terug. Voor sommigen is dit een wake up call voor wat de wereld te wachten staat. Enkele missionarissen weten het zeker: wanneer de zedelijke losbandigheid blijft, is het snel afgelopen, zie ‘Lucas 13 vers 5’.

U hier?

Ondertussen krijgen de mythen en spookverhalen vrij baan: toneelstukken over de ramp blijven door de censuur in Kameroen onopgevoerd, 25 jaar na dato is er geen herdenking, van de vijf leidingen die het gas uit het meer moeten halen, weigeren er vier, de regering laat iedereen toe mits er betaald wordt, eco-verenigingen willen een beschermd natuurgebied.

Het zijn stuk voor stuk schitterende verhalen die Westerman opdiept. Het zijn er weliswaar erg veel, maar ze vervelen geen moment. Journalistiek onderzoek wordt afgewisseld met persoonlijke verhalen, zij het dat die deze keer kwantitatief redelijk binnen de perken blijft. IJdelheid zat Westerman namelijk nog wel eens in de weg in zijn vorige boeken – met als dieptepunt Ararat, dat zou gaan over een queeste naar de berg waar Noach strandde, maar dat vooral het verslag werd van Westermans eigen zoektocht naar de god van zijn jeugd en andere persoonlijke zaken.

Ook deze keer staat Westerman soms voor zijn verhaal. Dan denk je: wat doet u hier? Zo schrijft hij: ‘Ik zei dat het me te doen was om de geboorte van verhalen en hoe die terugslaan op de werkelijkheid waar ze uit voortkomen’. Dat wisten we al, ook omdat hij het elders in andere bewoordingen zegt. Het is een overbodige mededeling: het verhaal spreekt voor zichzelf.

Westerman, die er zo’n punt van maakt dat het onderscheid tussen fictie en non-fictie opgeheven zou moeten worden – en is overgestapt naar De Bezige Bij omdat zijn vorige uitgever juist wél dat scherpe onderscheid zou maken – zou meer mogen vertrouwen op de kracht van het verhaal.

Storender wordt het wanneer Westerman drie missionarissen vanuit drie verschillende plekken laat samenkomen in het rampgebied. ‘In een roman zou hun samenkomst ongeloofwaardig zijn. Maar dit is precies wat de werkelijkheid zo redeloos fascinerend maakt. [De missionarissen] Fred, Jaap en Dean zijn geen verzonnen personages. Hun treffen is door niemand in scène gezet, het decor waarin zij zich bewegen is niet van bordkarton.’

Als lezer had je je nog geen moment gestoord aan de samenkomst van deze mannen, het maakt ook niet uit of het nu echt zo gegaan is of niet – we hebben het hier immers over ‘literaire non-fictie’, dus een beetje mooier maken mag. Maar waarom dit soort mededelingen over de lezer uitgestort moeten worden, is me een raadsel en van de weeromstuit ga je je alsnog storen aan het toeval van de ontmoeting.

Ook speelt mooischrijverij hem soms parten – zo schrijft Westerman over ‘de zoete geur van ontbinding’ – niet alleen een clichématige formulering, maar ook nog een die onjuist is, zoals iedereen weet die daadwerkelijk in aanraking is geweest met ontbinding.

Ondanks deze schoonheidsfoutjes is Stikvallei een geslaagd boek. Van ijdelheid is deze keer geen sprake, bevlogenheid staat voorop. De zoektocht naar en het verzamelen van de verhalen was een voortreffelijk plan dat heel goed is uitgewerkt, zeker omdat het gaat over een ramp waarvoor in het land zelf nauwelijks meer aandacht is. De slachtoffers van toen kunnen nog steeds niet terug naar de plek en de verhalen eromheen worden zoveel mogelijk afgekapt. Gelukkig heeft Westerman ze verzameld.