SPKNBRG

Tientallen tijdschriften zouden verdwijnen. De advertentiemarkt halveerde en print leek passé. In heel Nederland? Nee, één dorp presenteerde, net op de dag dat uitgever Sanoma 500 arbeidsplaatsen schrapte, feestelijk een glossy: Bunschoten-Spakenburg. Inwonersaantal: 20.000. Oplage glossy: 40.000. Titel: SPKNBRG.

Voorlopig éénmalig, natuurlijk, maar dat kan veranderen. Enkele uren voor de presentatie aan de dorpsnotabelen in het Spakenburgse centrum voor kunst en cultuur Het Pand sprak ik daar de bedenkers. Marianne Korlaar, chef van de VVV en getrouwd met een vishandelaar. En Pierre van der Gijp, voormalig Rotterdammer, nu overtuigd Spakenburger. Ook is hij hoofd marketing bij het Nationaal Restauratiefonds. Handig, want SPKNBRG is citymarketing van eigen maak.

Het Pand was opgepoetst en modern, glanzend als een trendy nachtclub, met hoogpolig zwart tapijt. Er hingen bijzondere foto’s aan de muren van de kunstenaar Hans Lemmermans, met vrouwen in Spakenburgse klederdracht in vervreemdende decors. „We willen aan ons imago werken”, zei Pierre, „want dat is nog niet zo modern.”

Maar waarom zou je dat willen, in ’s hemelsnaam, als je dat tenminste zo mocht zeggen in een dorp van hervormden en gereformeerden, waar de ChristenUnie de grootste partij is? Half Nederland verlangt juist terug naar het Spakenburgse type Hollandsheid. Niets meer aan doen, zou je zeggen.

In Bunschoten-Spakenburg zien ze dat dus anders. „Spakenburg wordt altijd in één adem genoemd met Staphorst en Urk”, zei Marianne. En Pierre: „Maar daar zijn ze meer naar binnen gekeerd. Hier gingen ze overal heen met de verse vis.”

Vis of koek, zeggen ze in het dorp. Vanuit Spakenburg rijden dagelijks 130 viskarren het land in van de visboeren. En 100 marktwagens met brood en banket: de koekboeren. Dit noemt Pierre „de buitendienst” van het dorp. Wat hem betreft krijgen die straks allemaal een mooie display van SPKNBRG op de toonbank.

Bunschoten-Spakenburg is zó modern, zeiden de twee citymarketeers. Alleen de mensen weten het nog niet. Het imago „moet opener”.

Ik vroeg belangstellend of ze in Bunschoten-Spakenburg ook graag migranten zouden verwelkomen. „We hebben hier al een gebouw waar de moslimbroeders en -zusters elkaar ontmoeten”, zei Pierre, niet zonder trots. „Maar als het om mogelijkheden voor buitenlanders gaat: dan komen ze elkaar in de stad natuurlijk wél gemakkelijker tegen.” Ondernemers „daarentegen”, die zouden zich hier enorm thuis voelen, zeiden Pierre en Marianne.

In het moderne SPKNBRG staan zodoende nog steeds knusse artikelen over de vele koren in het dorp (‘Bunschoten-Spakenburg: daar zit muziek in!’), over het Klederdracht & Visserijmuseum, en er is een palingrecept van de burgemeester. Tussen de advertorials: portretten van ‘bekende Spakenburgers’ zoals botterbouwer Henk van Halteren en Belinda Bol, eigenaresse van de christelijke boeken- en cadeaushop Het Baken.

Over de titel hadden ze nog een tijd nagedacht, zei Marianne. De één wilde ‘Groos op je darrêp’ (‘Trots op je dorp’), de ander ‘TROTS’. Pierre zelf voelde nogal veel voor ‘Dondersmooi’. Maar nee, besloten ze toen: wie vooruit wil moet niet in zijn dialect blijven hangen.

En hoezo eigenlijk een titel zonder klinkers?

Dat, giechelde Marianne, was „een designerdingetje”.

Pierre: „Dat is dus modern.”

Margriet Oostveen (m.oostveen@nrc.nl) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Arjen van Veelen (a.v.veelen@nrc.nl)