Niet eerder hadden ze het zo goed

In het derde deel van zijn sociale geschiedenis van het naoorlogse Groot-Brittannië laat historicus David Kynaston zien hoe radicaal zijn land eind jaren vijftig veranderde.

Het is oktober 1957 en de nog jonge koningin Elizabeth II en haar familie onderwerpen zich in het Londense Palladium Theatre aan de jaarlijkse Royal Variety Show. Vera Lynn, Judy Garland, Tommy Cooper passeren de revue en dan – iets nieuws – verschijnt rocker Tommy Steele op het podium. IJzige stilte volgt op diens optreden met ‘Rock with the Caveman’ en ‘Hound Dog’. Toen, aldus de recensie in de News Chronicle, klinkt er uit de koninklijke loge één enkel meeklappen op het ritme van de muziek. ‘Het was de Queen Mother. Eén keer draaide ze zich naar haar dochter om als wilde ze zeggen „Come on, dear”, maar de Queen ging er niet op in. Na een tijdje begon prins Philip wel, maar met tegenzin en uit de maat.’

Afkeer van die ‘onzedelijke’ muziek blijft niet beperkt tot Londen. In Liverpool speelt later dat jaar een piepjonge John Lennon met zijn Quarry Men (zonder Paul McCartney) voor het eerst in de Cavern en krijgt na het eerste nummer een verzoekbriefje van de eigenaar. Daarop staat: ‘Cut out the bloody rock’n’ roll!’

Het is op dit soort momenten – de doorbraak in de muziek, architectuur en planologie, de beginnende macht van de vakbonden, de komst van tv en wasmachines, de verschuivende aspiraties van de arbeidersklasse – dat historicus David Kynaston (1951) het breukvlak tussen de naoorlogse jaren en de ‘moderne tijd’ situeert.

Na zijn Austerity Britain (over de jaren 1945-’51) en Family Britain over 1951 tot de Suez-crisis van 1957, beschrijft Modernity Britain de jaren 1957-’59, in een voorgenomen reeks over de periode 1945-’79 – het jaar van de komst van Thatcher als premier.

Het nieuwste deel is wederom een product van onberispelijke sociale geschiedschrijving. Kynaston baseert die op vooral krantenberichten, Gallup-peilingen en mass observation-studies als ook op dagboeken en brieven. Hij gebruikt dit alles zo doeltreffend, dat je al lezend in die jaren belandt.

Het is de tijd waarin ‘Britain post-Suez’ zijn greep op grote delen van de wereld voelt verslappen en een voormalig imperium een tweederangs natie wordt. Zo voelde het voor de inwoners van de natie zelf niet direct. Ja, premier Anthony Eden had moeten aftreden nadat de VS een abrupt einde hadden gemaakt aan diens oorlog tegen Nasser om het laatste restje Britse invloed in het Midden-Oosten. Maar de Conservative Party, sinds 1951 in het zadel, bleef gewoon aan de macht en verving in januari 1957 Eden door Macmillan die zou aanblijven tot 1963. Pas in 1964 nam Labour onder Harold Wilson de teugels over. Macmillan deed de kiezers geloven dat ‘you have never had it so good’ en inderdaad: inflatie, hoge belastingen, en een gestage neergang in de waarde van het pond sterling verhinderden niet dat de kiezer zich als consument voor het eerst sinds 1945 beter af begon te voelen.

‘Modernity’ kondigde zich aan in de komst van Blue Band en Camay-zeep, meer auto’s, tv-toestellen óók in arbeidersgezinnen. ‘De telekiezer is opgestaan’, klaagde de Daily Mail, want aan de verkiezing was op ITV een heus verkiezingsdebat vooraf gegaan, dat de krappe Tory-meerderheid teniet deed. Maar het betekende ook de slopershamer, die 19de-eeuwse armoedewijken verbrijzelde ten gunste van het nieuwe ideaal van hoogbouw: licht en lucht en een eigen toilet.

Het nieuw gevonden enthousiasme voor ‘moderniteit’ uitte zich ook in het afbreken van veel waardevols ten gunste van de aanleg van brede verkeersaders dwars door oude stadshart. Birmingham sloopte zijn Market Hall en Canaletto’s zicht op de Theems, met St. Paul’s als dominant gebouw, begon te veranderen met de eerste hoogbouw in de City.

In deze schizoperiode tussen enerzijds het einde van de Tweede Wereldoorlog en het verlies van het Suezkanaal, en anderzijds het begin van een nieuwe tijd, kondigen zich veel thema's uit latere jaren aan. Rassenrellen in Notting Hill leiden dan al tot debat over immigratie van niet-blanken. Voetbal krijgt een wijdere dimensie wanneer Manchester United voor het eerst deelneemt aan de Europa Cup.

Judy Dench komt van de toneelschool, Harold Pinter schrijft zijn eerste toneelstuk en Margaret Thatcher wint na twee keer vergeefs proberen voor het eerst een parlementszetel. De strafrechtelijke toelaatbaarheid van homoseksualiteit tussen volwassenen van 21 jaar of ouder, en dan alleen in de beslotenheid, wordt voorzichtig geopperd in het Wolfenden-rapport , maar laat nog tot 1967 op zich wachten. Het bestaan van de ‘working class’ wordt onderwerp van verbeelding in toneel (John Osborne) en literatuur (Alan Sillitoe) net op het moment dat ‘de arbeidersklasse’ uiteen begint te vallen. En over de koninklijke familie wordt ook dan al geroddeld: prins Philip zou een verhouding hebben met een vrouwelijke marineofficier en de regering zou ‘daarom’ graag zien dat Elizabeth en Philip meer kinderen krijgen, en prinses Margaret, de verwende zuster van de koningin, zou de schuld zijn van het afschaffen van het debutantenbal met introductie aan het Hof omdat naar haar mening ‘elke taart hier tegenwoordig binnen kan komen’.