Mieren, mestkevers en dan weer naar huis

De jaarlijkse manifestatie draait dit jaar om Godfried Bomans en diens klassieke relaas over de jongen die het schilderij boven zijn jongensbed binnenklom.

Leest Nederland deze maand een kinderboek? Betwistbaar. Want – aangenomen dat velen in de bibliotheek een gratis exemplaar van het Nederland Leest-campagneboek zullen oppikken – de klassieker Erik of het klein insectenboek (1940) is niet in de eerste plaats een kinderboek. Het is, net als Alice in Wonderland en net als De kleine prins, in eerste instantie een allegorie, die een kinderlijk verhaal inzet voor een vertelling aan volwassenen.

Zie de episode van de wespen, de eerste insecten die de jonge Erik tegenkomt als hij bij toverslag opgeslokt wordt door zijn natuurschilderij Wollewei en, verkleind tot een miniem jongetje, aan een tocht begint door de kriebeldierenwereld. Het wespenechtpaar heet Van Vliesvleugel en bezigt vooral ‘spreuken wier bedoeling Erik niet geheel begreep en hem juist daarom met diepe eerbied vervulden’, zoals Bomans schrijft. ‘Wie het is, die is het ook’, snoeven de Van Vliesvleugels, en: ‘Maar heeft men het niet, dan heeft men het ook niet.’ Adellijk chauvinisme voor beginners – maar dan wel voor de goede verstaander.

Dat allegorische hoeft geen bezwaar te zijn, er zijn ook klassiekers die juist geliefd zijn omdat ze werken op meerdere niveaus. Dat er wel eens méér gaande kan zijn, voelt een kind bijvoorbeeld bij Koning van Katoren van Jan Terlouw. De D66-politicus vermomde zijn politieke programma als een onderhoudend avontuur. De taken die de jonge Stach moest vervullen om koning van Katoren te worden, waren even maatschappijkritisch (over milieuvervuiling en bureaucratie) als spannend.

En in Alice in Wonderland baadt het allegorische verhaal in een stevige laag absurdisme. Die kan inderdaad voor een prettig gevoel van ‘diepe eerbied’ zorgen, onder jonge Erikjes.

Maar als niet-kinderboek, blijft Bomans’ boek uit 1940 dán overeind? Niet erg, blijkt bij volwassen herlezing, na het als kind vooral met jeuk gelezen te hebben. En dan geen jeuk vanwege de insecten, die even groot als Erik zijn en daarmee allerminst kriebelig, maar vanwege de taal. Die is sterk verouderd, om niet te zeggen oubollig. Bomans schrijft geen ‘maar’, maar ‘doch’, hanteert een alwetende verteller. Personages ‘spreken’, ze ‘zeggen’ veel minder. Bomans’ favoriete woordsoort moet wel het bijvoeglijke naamwoord zijn, en dan nog het liefst in een onovertroffen overtreffende trap. Alleraardigst, allerwonderlijkst, allerliefst, allervriendelijkst – Bomans kan vrijwel niets opschrijven zonder er allerverguldst mee te zijn en alleraanstellerigst over te doen. Wat is er nou zo wonderlijk? dacht ik als kind. Waarom stelt die man zich zo aan?

En dan de humor. Bomans was een van de eerste tv-schrijvers en genoot veel populariteit en bekendheid door zijn publieke optreden. Hij cultiveerde het imago van de verstrooide, stijve heer die onderkoeld geestig uit de hoek kon komen: hij was een geliefde snoeshaan in naoorlogs Nederland. Charmant op tv, maar op papier voelt zijn humor vooral belegen – inmiddels is de houdbaarheidsdatum wel verstreken. Een voorbeeld uit Erik of het klein insectenboek: Erik onderwijst de insecten dat mensen door God zijn gemaakt, maar, vraagt de slak, wie maakte dan de insecten? ‘J.Th. van Brienen,’ zei Erik, want: ‘Dit was de naam die in de rechterhoek van het schilderij [Wollewei] stond.’

Hetzelfde geldt voor de woordgrappen, die hij door zijn verhaal over de spin heeft geweven (sorry): de spin vertelt Erik alles over ‘de schering en inslag van een goed web’ en ‘hoe zij in de vorige herfst een steek had laten vallen’.

En zelfs wie die spruitjeshumor niet stoort, moet nog constateren dat Erik of het klein insectenboek ‘niet vrij te pleiten was van enige eentonigheid’, om het Bomansiaans te zeggen. Het verhaal kent weinig spanning – Erik ontmoet wormen, mieren, doodgravertjes en meikevers, en keert weer huiswaarts. De les die hij leert is dat de insecten toch iets anders in elkaar steken dan beschreven in Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie – en de insectenwereld laat zich gemakkelijk lezen als allegorie voor de wereld van de volwassenen. Eriks kinderlijke onschuld is door de ‘ondankbare’ insecten verpest.

Die boodschap is niet meer van deze tijd. Sluipwespen heb je overal, ook onder kinderen. Dat tonen de hoofdpersonen van Spinder, dat dit jaar de Gouden Griffel won én afgelopen weekend de eerste Jan Wolkersprijs kreeg, voor het beste natuurboek. Wie niet terugdeinst voor een kinderboek en geïnteresseerd is in allegorische insecten, leze dat dan, deze maand.