Mali: beter onze krachten sparen

Het zou niet zo’n wonder zijn als een groot deel van onze publieke opinie een diep wantrouwen had tegen deze militaire plannen van het kabinet: om met 400 tot 500 man actief deel te nemen aan de burgeroorlog in Mali. Daar moeten de opstandelingen, fundamentalisten, jihadisten, aanhangers van Al-Qaeda worden verslagen. We hebben ervaring. De publieke opinie heeft ook een geheugen. We hoeven niet terug tot Srebrenica, waar het Nederlandse detachement een betreurenswaardige rol speelde, niet alleen door de veel gesmade overste Karremans, maar vooral doordat de Franse generaal Janvier luchtsteun weigerde. Deze catastrofe verdient nog altijd grondige analyse.

Maar dat is vorige eeuw. Er zijn recenter voorbeelden. In 2003 heeft Nederland zich onder leiding van Balkenende in de oorlog tegen de Irakese dictator Saddam Hoessein laten betrekken. President Bush had een leugenachtige voorstelling van zaken gegeven. We zijn erin getrapt, hebben troepen gestuurd die een eigen sociale manier van oorlog voeren hebben ontwikkeld. Op 1 mei 2003 verklaarde Bush de oorlog voor gewonnen waarna de ramp pas goed begonnen is. Nu zijn ook de Amerikanen weg. Ze hebben met medewerking van de bondgenoten een mislukte staat achtergelaten, waar de Irakezen elkaar regelmatig opblazen. Ons nationale tekort is, dat we nooit goed hebben uitgezocht hoe we in die catastrofe terecht zijn gekomen.

Daarna gingen we in 2006 met 1400 man naar Uruzgan, bestreden de Taliban, bouwden scholen en bruggen. Het was niet voldoende. Het detachement kwam terug. Maar bondgenootschappelijke verplichtingen hebben er toch toe geleid dat we een taak van lichter kaliber aanvaardden: het opleiden van politieagenten in Kunduz. Dat werd geen verblindend succes. Dit jaar is het ook in Kunduz afgelopen.

Moet Nederland zich schamen voor dit gebrek aan resultaten? Nee. We hebben ons best gedaan, wat betreft militaire mislukkingen bevinden we ons in het gezelschap van de hele westelijke internationale gemeenschap. Collectief gesproken, maakt het Westen het bonter. Na de Arabische Lente hebben alleen de Tunesiërs hun revolutie met succes voltooid. In Libië hebben we luchtsteun gegeven, wat Obama tot een nieuwe formule inspireerde: leading from behind. Maar ondanks het feit dat we van dag tot dag van de escalatie op de hoogte zijn gehouden, hebben we toegestaan dat de massamoord in Syrië verder escaleerde.

Syrië heeft zich binnen twee jaar tot een apart geval ontwikkeld. Het chaotisch strijdtoneel dient als een soort trainingskamp voor jihadstrijders uit Europa. Al-Qaeda ziet er zijn kansen. Maar bovenal heeft deze uitzichtloze burgeroorlog een dagelijks groeiend proletariaat doen ontstaan. Een land in chaos waarin honderdduizenden het uitzicht op een menswaardig bestaan is ontnomen, zal zich op den duur tot een internationaal gevaar ontwikkelen. Een groeiende stroom vluchtelingen wijkt uit naar de buurlanden, die wat dit aangaat hun verzadigingspunt al hebben overschreden. Syrië is een kruitvat van onvoorspelbaar internationaal onheil. Zowel Obama als Poetin hebben dat beseft. Obama heeft gedreigd met ingrijpen uit de lucht, maar het is er niet van gekomen. De situatie in het Midden Oosten is ingewikkelder en explosiever dan ooit.

Mali ligt niet in Noord Afrika, maar het maakt door zijn burgeroorlog wel deel uit van onze eigentijdse wereldproblematiek. Een van de kernvraagstukken daarin is dat het Westen geen methode heeft gevonden om het moslimextremisme effectief te bestrijden. Ook in Mali zullen we daarmee weer worden geconfronteerd. Als de Fransen intussen een methode hebben gevonden om dit probleem op te lossen, staat niets ons in de weg om hun strategie en tactiek te volgen. Zolang het nog niet zover is, lijkt het me beter dat we onze krachten en levens sparen.

H.J.A. Hofland is journalist en columnist.