Lesgeven is topsport

Jan Borst stopt als leraar wiskunde: het werk is te zwaar. Zijn advies: maak de klassen kleiner en het salaris hoger.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Mensen die hun mening geven over het onderwijs vallen in vier categorieën uiteen: docenten, wetenschappers, politici en leken. Van geen van hen mag een objectief en goed gefundeerd oordeel worden verwacht: docenten zijn te zeer betrokken (wie neemt een boer serieus die roept dat de melkprijs omhoog moet?), wetenschappers staan te ver af, politici blinken nu niet bepaald uit in waarheidsvinding, en leken, tja, dat zijn leken.

Voor een oordeel zou je iemand moeten hebben die getraind is in afstand nemen, het onderwijs van binnenuit kent en de pen weet te voeren. Welnu, ik matig mij aan zo’n witte raaf te zijn: geschoold als filosoof, veel ervaring in de journalistiek en enkele maanden wiskundedocent.

Tot zover het waarom, nu het wat. Dat het voortgezet onderwijs in nood is, heb ik aan den lijve ondervonden, niet alleen door wat ik recent om mij heen heb gezien, maar ook door wat ik vernomen heb van medestudenten aan de hogeschool waar ik heb getracht een bevoegdheid te verwerven. Ook zij hadden namelijk vaak al een deeltijdbaan in het onderwijs.

Het tekort aan onder meer wiskundedocenten is zo groot, dat het kan gebeuren dat een 54-jarige volstrekt onervaren, ongediplomeerde sollicitant, nota bene met een alfa-opleiding, na een gesprek van een kwartier met de rector vier klassen krijgt toegeschoven. Zo eenvoudig kan het zijn om zelfs nu aan een baan te komen. U begrijpt: ik beschrijf mijn eigen situatie. Vervolgens ontbreekt het de school bovendien aan mogelijkheden om de kersverse docent in te werken. Het advies dat hij krijgt: lees dit boek, dan komt het goed.

Deze klas is de hel

Nu geloof ik niet dat ik het zo slecht heb gedaan. Toch is er nu al een eind aan mijn onderwijsloopbaan gekomen. Het bleek ondoenlijk om drie dagen lesgeven te combineren met de opleiding. Een zevendaagse werkweek had ik wel voorzien, maar niet hoeveel energie een doorsneeklas van dertig pubers uit je weg weet te zuigen. En mijn hoop dat dat aan mijn onervarenheid te wijten was, werd al snel de bodem ingeslagen: ook ervaren collega’s blijken soms de wanhoop nabij. „Deze klas is de hel”, vertrouwde een van hen mij toe. Wat ik evenmin had bedacht, is dat maar weinig oudere docenten voltijds werken. Dat blijkt niet op te brengen te zijn, ondanks de lange vakanties waar buitenstaanders vaak zo smalend naar verwijzen, tot grote frustratie van de docenten.

Werken als docent is topsport, vanwege de veel te grote klassen (aanbeveling: twintig leerlingen als absoluut maximum), en de omstandigheid dat – anders dan bij de meeste andere banen – er voor de klas geen momenten zijn dat men iets op de automatische piloot kan doen. Het effect van voortdurend alert moeten zijn wordt door buitenstaanders categorisch onderschat. Het vreet kracht. De oplossing is simpel, zij het politiek moeilijk: klassen moeten (veel) kleiner, zodat docenten onderwijs op maat kunnen aanbieden en kinderen niet in de anonimiteit wegzinken. Dat kost geld.

Voorts wordt het eindelijk eens tijd om het imago van docenten op te krikken. Dat hoeft heus niet in de eerste plaats via het loonstrookje. Stuur een commissie naar het noorden om de kunst af te kijken. In Finland staan topacademici voor de klas, heeft een docent aanzien en scoren leerlingen beter dan overal elders.

Politiek, volg deze adviezen nu op, dan zijn we over tien jaar waar we wezen willen, ruim voorbij de huidige tijd van bezuinigingen.